Post varia - 5

Kolonioloog'Kolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

 Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

Beste mensen, dit is mijn een-na-laatste stukje op deze plek. Ik blijf wel actief in het project, hoor, als vrijwilliger bij het invoeren, en inhoudelijke vragen over de Maatschappij zal ik ook blijven beantwoorden. Ik heb deze artikeltjes met ontzettend veel plezier gemaakt, het blijft altijd leuk om iets uit te zoeken en het dan uitgediept op papier te zetten. En als jullie De kinderkolonie lezen zullen jullie zien dat ik op deze plek regelmatig stukjes heb uitgeprobeerd die nu in het boek terecht zijn gekomen. Ik wil iedereen hartelijk danken voor alle hulp die ik de afgelopen anderhalf jaar gehad heb en voor de leuke reacties op de stukjes. Ik ga verder met de post-varia:

Vervolg Hoogstra-Wiemes
Zowel Haaije Hoogstra als Elisabeth Wiemes-Smies ontkennen de beschuldiging - zie stukje verleden week - categorisch. Ook als een bedelaarskolonist na ondervraging verklaart 'gezien te hebben dat de meester verscheiden malen met Vrouw Wiemes in het Consistorie-kamertje is geweest, doch niet weet wat zij daar deden'. En als Dirk Wiemes 'voorleden Zaturdag avond te huis komende, met zijne vrouw hevige Twist gekregen heeft, ja elkander mogelijk geslagen', omdat de geruchten ook hem ter ore waren gekomen. En ook als een strafkoloniste verklaart dat ze de kleding van een overleden bestedeling aan Hoogstra had gegeven die ze zou verkopen maar ze aan vrouw Wiemes had geschonken.

De Raad van Tucht van de Ommerschans die al die verhalen aanhoort, weet niet wat ze denken moet van de praatjes die door de bedelaarskolonist Louis Lolkema zijn rondgestrooid. Ze veroordelen dan maar Lolkema tot acht dagen strafkamer. Ook de rond die tijd langskomende inspecteur der koloniën Wouter Visser schrijft over 'de zaak met Hoogstra' aan de permanente commissie maar komt niet verder dan te melden dat men er mee in de maag zit.

Een week later ligt er bij de raad een 'Nota klagten van H. Hoogstra ingebragt aan de raad van tucht tegen den kolonist L. Lolkema'. Die zou diverse malen dronken thuisgekomen zijn, bijvoorbeeld na 'de markt aan de Dedemsche vaart'. Hij zou een mes uit een huis aan de vaart gestolen hebben en een ander mes uit de zak van een boerenjongen gelicht. Hij drijft handel met andere bedelaarskolonisten in genever, koloniale kleding en de eerder genoemde messen.

Op de school, waar hij als hulponderwijzer fungeert, zou hij het vertikken zelf het bord schoon te maken en af en toe zonder waarschuwing het klaslokaal verlaten. 'Onderscheidene kinderen heeft hij wel eens onfatsoenelijk geslagen', een kind van bakker De Bruin heeft hij met spelden gestoken en het zoontje van de onderdirecteur zou hij net zo lang in het rond gedraaid hebben tot hij duizelig was, 'zoodat hetzelve met het hoofd tegen het bord viel en een ijselijk geschrei aanhief'.

Lolkema over al die zaken horen gaat niet lukken. Hij is 'door een abuis' twee dagen te vroeg uit de strafkamer vrijgelaten en is meteen daarop de Ommerschans ontvlucht. De raad veroordeelt hem dan maar bij verstek, maar merkt ook op dat het 'den Raad echter zeer bevreemde' dat 'den Onderwijzer Hoogstra echter getuigd eerst ná dat hij door hem belasterd is geworden'. Men snapt niet waarom de onderwijzer 'met de ondeugden van Lolkema niet vroeger en beter bekend is geweest'.

Kortom, er blijft verdenking kleven aan de onderwijzer. Maar bewijzen zijn er niet. Een van de vrouwen die verhoord wordt, reageert wel grappig. De echtgenote van strafkolonist Lehmbroek verklaart van niets te weten omdat, als Hoogstra 'iets uitstaande had met Vrouw Wiemes, hij haar daar niet bij zoude roepen'.

(met dank aan Luurt Vrijen voor de transcripties)

Houd je klaauwen eraf
Roelof Coenraads Smit is sinds mei 1842 als onderbrigadier werkzaam op de Ommerschans. De onderbrigadier, soms ook de 'opper-veldwachter' genoemd, geeft leiding aan de veldwachters bij de schans, die meestal geworven zijn onder de militaire veteranen uit Veenhuizen, maar soms uit de rangen van de bedelaars komen. De onderbrigadier valt onder de hoogste functionaris ter plekke, de adjunct-directeur van de Ommerschans, maar in de praktijk is hij verantwoording schuldig aan de onderdirecteur-binnen van het complex.

Dat gaat wat Smit betreft prima zolang Jan Frederik Krieger onderdirecteur is, maar in juli 1845 wordt die bevorderd tot adjunct-directeur van het tweede gesticht in Veenhuizen. Hij wordt opgevolgd door de 51-jarige Pieter van Roon. En vanaf dat moment lijkt het, aldus Smit, of 'alles wat tegenwoordig door my gedaan wordt, niet goed is'.

Alle bedelaars komen aan in de Ommerschans en twee à drie maal per maand trekt een groep vandaar naar Veenhuizen. Als Smit komt vragen of hij het transport als gewoonlijk zal begeleiden, vraagt de nieuwe onderdirecteur: 'Heb jij daarby zooveel belang?' Hij lijkt te suggereren dat Smit zich te goed wil doen aan de levensmiddelen die met zo'n transport meegaan.

Smit is tot nu toe gewend om pakjes en brieven in bewaring te nemen, maar dat verbiedt de onderdirecteur met 'de beledigende uitdrukking, houd je Klaauwen eraf'. Zulke dingen worden gezegd waar iedereen bij is en daardoor dreigt Roelof Coenraads Smit 'het gezag het welk tot de veiligheid vereischt wordt te verliezen'.

Hij kan niets meer goed doen. Het wordt hem verboden als hij iemand die meermalen ontvlucht is de boeien aan wil doen. Waarom mag hij 'geen stilte gebieden aan de op de plaats schreeuwende en tierende Kolonisten'? En als de inspecteur der koloniën Wouter Visser hem gelast heeft het afgekeurde meubilair te vernietigen, wordt dat hem belet alsof 'ik myn voordeel zoude zoeken uit een stuk oude deken'.

Kortom, de nieuwe onderdirecteur vertrouwt hem niet en het lijkt, schrijft Smit, 'dat aan alle mijne handelingen eenen  verkeerde bedoeling en uitlegging wordt gegeven'. Daarom wendt hij zich tot de adjunct-directeur van de Ommerschans. Smit ziet er van komen dat er 'strafbare handelingen door my in drift zouden kunnen worden uitgevoerd als brutaliteit, insubordinatie enz, waardoor ik diep ongelukkig zoude kunnen worden'. Hij wil dat Hulst ingrijpt zodat 'de onaangenaamheden ophouden en ik mynen dienst als vroeger met vreugde kan waarnemen'.

Of de adjunct-directeur echt iets gedaan heeft, heb ik (nog) niet kunnen vinden, maar Roelof Coenraads Smit zal tot zijn dood als onderbrigadier werken terwijl Pieter van Roon al na twee jaar ontslagen wordt.

(met dank aan Abdulwadûd voor de transcriptie)