Het godsdienststrijdfeuilleton (3)

Kolonioloog'Kolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Het godsdienststrijdfeuilleton, aflevering 7: Zulk een dwazen ijver
Jannes Poelman en Augustinus Textor zitten met die verklaring in hun maag. Normaal is dat teruggebrachte deserteurs moeten verschijnen voor een uit personeelsleden bestaande Raad van Tucht. Hetzij de 'Raad van Tucht voor weezen, vondelingen en verlatene kinderen' hetzij de 'Raad van Tucht voor arbeidershuisgezinnen'. Maar als deze verklaring daar ter tafel komt, is in no time op de hele kolonie bekend dat de katholieke geestelijkheid jongeren stimuleert om weg te lopen! Dat wordt chaos.

Het is niet de bedoeling dat lagere personeelsleden zelf nadenken, dat dienen ze over te laten aan de directeur. Jannes Poelman stuurt meteen de volgende dag het proces verbaal van het verhoor naar Jan van Konijnenburg met een begeleidend briefje dat er punten instaan 'waarvan men in den Raad niet gaarne melding zoude willen maken'. En hij vraagt de directeur wat hij moet doen, of 'het in dit geval niet beter zoude zijn, de jongelingen eenvoudig voor den Raad van Tucht als gewone deserteurs te doen verschijnen, zonder daarbij het verhoor in aanmerking te nemen'.

Jan van Konijnenburg is geschokt te lezen dat de roomse geestelijkheid jongens van 17 en 15 jaar 'tot ongehoorzaamheid aan hunne ouders en verstooring der goede orde in het gesticht heeft opgezet'. Hij noemt het 'een aller ongepast gebruik van hunnen invloed' en hij maakt zich zorgen over de gevolgen van 'zulk een dwazen ijver'. Het is gevaarlijk voor de rust en orde in de kolonie, hij denkt aan het eerdere uitjoelen en met steentjes gooien - 'waar aan men de geestelijkheid niet geheel onschuldig hield' - en de onrust zou makkelijk kunnen overslaan naar de bedelaarsgestichten.

Hij bedenkt ook nog een argument tegen Poelmans voorstel om de jongens voor de Raad van Tucht te brengen zonder van de bemoeienis van de pastoor en kapelaan te reppen. Teruggebrachte deserteurs worden altijd veroordeeld tot acht dagen in de strafkamer 'om de andere dag te water en brood' - als ze voor de tweede keer zijn weggelopen moeten ze die acht dagen 'met boeijen aan' in de strafkamer doorbrengen, als het voor de derde keer is vliegen ze naar de strafkolonie op de Ommerschans - en worden daarnaast veroordeeld tot de 'premie- en transportkosten'.

Degeen die ze heeft teruggebracht krijgt drie gulden voor elke wegloper en daarnaast worden zijn reiskosten vergoed. Dat bedrag wordt dan ingehouden op het tegoed aan oververdienste in het spaarbankboekje van de wegloper. Maar in dit geval zou dat volgens Van Konijnenburg 'tot een onregtvaardig vonnis leiden, daar niet die kinderen, maar de geestelijkheid strafbaar is en de kosten van terug brenging zoude behooren te vergoeden'.

Het is ook niet de bedoeling dat de directeur teveel zelf nadenkt, dat dient hij over te laten aan de permanente commissie en dus stuurt hij meteen het hele zaakje daarnaartoe.

Het godsdienststrijdfeuilleton, aflevering 8: Zoodanige teregtwijzing
De permanente commissie houdt elke dag een dagagenda bij en daar wordt genoteerd dat de brief van Van Konijnenburg met als bijlagen het briefje van Poelman en het proces verbaal van het verhoor van Antonius en Willem Kiesling op de 27e januari bij haar binnenkomt als nummer 13 van de agenda. Er is geen twijfel wat op de brief moet worden genoteerd als vervolgactie, het 'moet dadelijk aan de Hr Ruitenschild worden medegedeeld' en die wordt 'om rapport gevraagd'.

Er heeft eigenlijk altijd wel een dominee in de permanente commissie gezeten. Alleen de eerste, Paulus van Hemert, die met Johannes van den Bosch en Jeremias Faber van Riemsdijk de eerste permanente commissie vormde, was niet meer praktizerend. Na zijn dood werd hij opgevolgd door dominee J. Sluiter uit Den Haag, over wie ik verder op internet weinig kan vinden, maar die goed werk heeft gedaan, onder andere door in 1829 de hele tuchtwetgeving op nieuwe en overzichtelijker leest te schoeien.

Dominee Sluiter overlijdt begin 1837 en dan wordt zijn plek ingenomen door dominee Gerrit Ruitenschild. Midden dertig en volgens deze pagina is hij op het moment wijkpredikant van het Noordeinde in Den Haag en zal hij over enkele jaren hofpredikant worden, in welk verband hij onder andere de uitvaartdienst van koning Willem II zal leiden en diverse koninklijke telgen zal dopen en belijdenis afnemen. Uit zijn activiteiten in de permanente commissie blijkt dat hij wel houdt van een robbertje vechten met roomsen.

Binnen een paar dagen heeft Ruitenschild zijn rapportje klaar en wordt besloten twee brieven uit te doen gaan. Die uitgaande brieven van de permanente commissie zijn meestal een ramp. Per definitie hebben we in het archief niet de net-versie, maar alleen het kladje, en dan doet men geen enkele moeite om een beetje goed leesbaar te schrijven. Nog afgezien van alle doorhalingen en bijgeschreven verbeteringen erin. Maar Luurt Vrijen heeft deze brieven voor mij gedaan en die is er bijna helemaal uitgekomen. Zie hier een stukje:

 Stukje 72

Eén brief gaat naar directeur Van Konijnenburg dat de jongens Kiesling voor de Raad van Tucht moeten verschijnen 'waarbij aanleiding en omstandigheden niet buiten behandeling behoeven te worden gelaten'. Sterker nog, het lijkt dominee Ruitenschild 'integendeel nuttig' als het duidelijk in het proces verbaal komt.

De tweede brief gaat naar 'de Staatsraad belast met de directie van het Ministerie voor de Zaken der R. K. Eeredienst'. Die krijgt een kopietje van het verhoor van de jongens en hem wordt gevraagd om te overwegen wat hij zou kunnen doen 'om de  bemoeijenis der R. K. Geestelijken te Veenhuizen binnen de grenzen hunner kerkelijke roeping beperkt te houden'. De permanente commissie wijst erop dat het 'hoogst bezwaarlijk, ja ondoenlijk' wordt om de orde in de kolonie te handhaven als de geestelijkheid 'in plaats van gehoorzaamheid aan de bestaande bepalingen door les en leering te bevorderen, zich integendeel veroorlooft het heimelijk ontloopen aantemoedigen'.

Wat hij dan zou moeten doen wordt ook al ingevuld. Hij moet zorgen dat 'de R. K. Geestelijken te Veenhuizen ten deze zoodanige teregtwijzing mogen ontvangen als strekken kan, om hen van handelingen, welke het bestuur bemoeijelijken, terug te houden'.

Zo. In de hoek gezet.

Het godsdienststrijdfeuilleton, aflevering 9: Volstrektelijk tegengesproken

Een paar dagen later moeten Antonius en Willem Kiesling voor de 'Raad van Tucht van weezen, vondelingen en verlatene kinderen' verschijnen. Het hele verhaal wordt uit de doeken gedaan en 'in aanmerking nemende, dat veeleer de oorzaak dezer desertie toegeschreven moet worden door de aanmoediging der R. C. Geestelijken, als wel uit den vrijen wil der Jongelingen zelven' krijgen ze in plaats van acht dagen slechts vier dagen strafkamer. Maar wel, en dat is niet consequent, moeten ze allebei een tientje betalen aan premie en transportkosten.

De reactie van 'de Staatsraad belast met de directie van het Ministerie voor de Zaken der R. K. Eeredienst' laat een maandje op zich wachten. Want die laat natuurlijk niet zomaar over zich heen lopen. Als hij op 6 maart dan reageert, gaat hij vol in de tegenaanval. Het was hem in de brief van de permanente commissie opgevallen dat de pastoor en de kapelaan van Veenhuizen niet waren gehoord. En omdat het van zijn kant 'niet regtmatig zoude geweest zijn, die geestelijken te veroordeelen, zonder bewijs van hunne schuldpligtigheid te bezitten', had hij eerst zijn oordeel opgeschort en aan 'den Hoog Eerwaarden Heer Aartspriester van Salland, Drenthe  en Groningen' opdracht gegeven het helemaal uit te zoeken.

Die aartspriester heeft de betreffende geestelijken ondervraagd en doet verslag in een stuk dat de Staatsraad nu meestuurt. Helaas vraagt hij om dat stuk na beantwoording weer terug te sturen, zodat het zich niet meer in het archief van de Maatschappij bevindt, maar uit het begeleidend schrijven en het latere antwoord van dominee Ruitenschild valt wel af te leiden wat er ongeveer in staat.

Om te beginnen kan worden gemeld dat door de pastoor en kappellaan 'de beschuldiging volstrektelijk wordt tegengesproken'. Het is niet waar, ze hebben de jongens niet aangemoedigd te vluchten. Maar daarnaast zijn uit het gesprek tussen hen en de aartspriester een aantal klachten naar voren gekomen over het handelen van de Maatschappij jegens het katholieke geloofsdeel die volgens de Staatsraad hoognodig moeten worden uitgezocht. 'Inzonderheid, dat de kinderen van den Kolonist Kiesling, respectivelijk 15 en 17 jaren oud, met geweld zouden zijn gedwongen, “hunne godsdienst te verzaken en tegen de inspraak van hun geweten te handelen”.'

Dan schijnt er ook iets te zijn met de manier waarop 'de schoolonderwijzer aan het 1e Gesticht aangaande hel en duivel zou leeren' wat niet door de katholieke beugel kan en tenslotte wordt het de roomse kolonisten stelselmatig moeilijk gemaakt 'om op de in de week vallende kerkdagen de godsdienstoefening te kunnen bijwonen'. De Staatsraad wil graag zo snel mogelijk horen wat er aan al die klachten gaat gebeuren

De Staatsraad wil graag zo snel mogelijk horen wat er aan al die klachten gaat gebeuren.