Het godsdienststrijdfeuilleton (2)

Kolonioloog

'Kolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.


Het godsdienststrijdfeuilleton, aflevering 4: Luid gejouw en getier en steentjes gooie
De bekering van Jan Kiesling komt niet helemaal uit de lucht vallen en heeft een voorgeschiedenis. Allebei zijn ouders waren rooms, maar Jan verklaart nu 'van zijner jeugd af aan, weinig ingenomenheid met de R: C: Godsdienst gehad te hebben'. Hij ging altijd veel om met protestanten en ook wijlen zijn echtgenote, de in aflevering 1 even genoemde Aafje Zeeman, was van die gezindheid. Zij is pas later in haar leven lidmaat geworden en Jan zegt nu dat hij met haar 'mede zou te leeren zijn gegaan, had hij zulks om zijnen ouden vader niet nagelaten'.

Die oude vader is een jaar geleden gestorven, waarna Jan 'zijn voornemen eindelijk heeft volvoerd'. Hij meldt zich in september 1844 bij de hervormden, waar hij 'eerst bij wijlen Do van Rinteln en vervolgens bij Do Jansen is te leeren gegaan'. ((Zoals veel invoerders al wel gemerkt zullen hebben: als je voor een naam Do ziet staan, betekent dat dominee. Wat we tegenwoordig overigens met een kleine letter schrijven.))

Uiteraard komt er tegenvuur. Tot twee keer toe en met een dusdanige intensiteit dat directeur van Konijnenburg er de omschrijving 'grof' voor gebruikt. Hij vertelt dat Jan 'eerst door den Heer Kapellaan, aan de pastorie en daarna, door Pastoor en Kapellaan, aan huis van den zaalopziener Nijman, daarover grof is onderhouden geworden'. Dat maakt wel indruk, maar Jan Kiesling - in de woorden van Van Konijnenburg: 'hoe eenvoudig boersch hij ook is' - blijft bij zijn voornemen protestants te worden.

Genoemde zaalopziener Bernard Nijman is een militaire veteraan, voormalig sergeant, die sinds 1839 in de kolonie is en sinds kort, 19 juli 1844, bevorderd tot zaalopziener in het eerste gesticht. Hij is rooms en heeft dus ook twee zalen met roomse weeskinderen onder zijn hoede. Waaronder ook kinderen uit het gezin Kiesling, want die zijn - zie aflevering 1 - deels op de zalen van het kinderetablissement ondergebracht.

Die kinderen hebben het er zwaar mee. Het voornemen van hun vader leidt tot 'gemompel en afkeuring, onder de R C kinderen van het gesticht'. Op zondagochtend langs de hoofdvaart op weg naar het kerkelijke stuk van de kolonie, zie hier over die kerkjes, wordt dat erg. Directeur van Konijnenburg beschrijft dat het 'zoo verre ging, dat het langs den weg naar de Kerken, tot luid gejouw en getier onder de oudste R C kinderen oversloeg'. Hij heeft ook vernomen dat 'de Oude Kiesling door jongens van de R: C gezindheid, met steentjes was gegooid'.

Er is bij de rest van de staf verontwaardiging dat 'de zaalopzieners Nijman en Meijer weinig of niets in het werk stelden' om dat tegen te gaan. Ze krijgen op hun donder, ze worden 'over hunne slapheid ernstig onderhouden'.

En dan, het is half januari 1845, nadert het tijdstip dat Jan Kiesling belijdenis kan doen.

Het godsdienststrijdfeuilleton, aflevering 5: De tweede helft van het contract van 16 en 19 juni 1826
Zondag 12 januari 1845 is het zo ver en wordt Jan Kiesling aangenomen als lidmaat van de hervormde kerk. De volgende dag wordt in het mutatieregister over de maand januari aangetekend dat 'Jan Kiesling No 322bis met zijne kinderen N 324-331bis van de Roomsche tot de Gereformeerde godsdienst is overgegaan'. Dat 'bis' is de aanduiding voor alle mensen die zijn geplaatst 'op de tweede helft van het contract van 16 en 19 juni 1826'. En de oude gezindheid wordt doorgestreept en vervangen door het nieuwe in het stamboek van de 'hulpbehoevende gezinnen, geplaatst op de tweede helft van het contract van 16 en 19 juni 1826'.

 stukje 71 - Kiesling

Zie het door mij zelf geschoten en dus amateuristische plaatje, maar ik denk dat ik toch maar eens moet gaan uitleggen wat die kreet van 'de tweede helft van het contract van 16 en 19 juni 1826' nu precies betekent. Even op de tanden bijten, daar komt-ie.

Op 1 maart 1823 sluit de Maatschappij van Weldadigheid een contract met het gouvernement dat in de koloniën zullen worden opgenomen vierduizend 'weezen, vondelingen en verlatene kinderen' à 45 gulden per kind per jaar. Die 45 gulden schiet het gouvernement voor, maar verhaalt ze daarna op de weeshuizen en gemeentebesturen waar die kinderen onder vallen. Dankzij die jaarlijkse inkomsten van (45 x 4.000 =) 180.000 gulden kan de Maatschappij in datzelfde contract beloven om helemaal gratis ook 1500 bedelaars en 500 arbeidersgezinnen op te nemen. De regering neemt tegelijk besluiten waardoor weeshuizen verplicht zijn kinderen op te zenden.

((Als aanstaande september mijn boek over de kinderkolonie uitkomt, zal ik een transcriptie van dat contract van 1 maart 1823 op internet zetten.))

Om dat volk onderdak te brengen, wordt in 1824-1825 de kolonie Veenhuizen opgericht. Maar dan...: die 4.000 kinderen komen niet allemaal. Weeshuizen en gemeentebesturen doen aan burgerlijke ongehoorzaamheid en wetsontduiking om weeskinderen bij zich te houden. Daarom wordt op 16 en 19 juni 1826 een nieuw contract gesloten, waarbij het oude contract wordt gehalveerd. Er komen dan dus 2.000 weeskinderen, 750 bedelaars en 250 arbeidershuisgezinnen. Daarnaast mag de regering dan als tweede helft van het contract nog 4.000 andere mensen in de koloniën plaatsen, zodra de Maatschappij aangeeft er klaar voor te zijn om ze te ontvangen.

Dan laatste duurt een dikke drie jaar en dan plaatst de overheid 'eenlopende personen op basis van de tweede helft van het contract van 16 en 19 juni 1826' die in de vrije koloniën worden ingedeeld bij koloniale gezinnen en ze plaatst op diezelfde basis verarmde gezinnen die in de woninkjes aan de buitenkant van de gestichten in Veenhuizen worden gehuisvest.

Zo, dat hebben we gehad. Let op! Heb je een familielid in die groep, weet dan dat ze overal weliswaar worden aangeduid als 'hulpbehoevend', maar dat die term verwijst naar het contract en het niet per se betekent dat het echt kneusjes zijn. Ze zijn gewoon - net als het merendeel van Nederland - arm.

Terug naar Jan Kiesling wiens inschrijving is veranderd. En tegelijk met hem ook de gezindheid bij de inschrijving van al zijn kinderen.

De gevolgen zijn het grootst voor de twee oudste kinderen. De een staat dus in een van de stamboeken als Lutherius Kiesling, maar dat klinkt mij wel erg hervormd in de oren, dus ik houd het verder op zijn andere vermelding: Antonius, van nu 17 jaar en Willem Kiesling van nu vijftien jaar. Uitgejoeld, met steentjes gegooid. Je moet er niet aan denken wat er 's avonds gebeurt op de rooms katholieke jongenszaal waar zij wonen. Daar zullen ze een dezer dagen wel vanaf gaan en dan overgaan naar een protestantse zaal, maar dat is in hetzelfde gebouw en ze blijven de katholieke jongeren ook tegenkomen op het land en in de spinzaal.

Het wordt zo erg en de jongens worden zo wanhopig dat ze zich wenden tot de roomse geestelijkheid op de kolonie. Dat hadden ze beter niet kunnen doen...

Het godsdienststrijdfeuilleton, aflevering 6: Na de cathegisatie
Op dinsdag 14 januari 1845 - twee dagen na de bekering van hun vader - lopen Antonius Kiesling (17) en Willem Kiesling (15) van de kolonie weg. Het is net de dag dat ze zouden overgaan van een katholieke naar een protestantse zaal, maar dat hebben ze niet afgewacht. Ze trekken door Drenthe naar het zuiden richting Dedemsvaart, dicht bij de Ommerschans. Maar vrijdagavond 17 januari worden ze te Vilsteren, nabij Ommen, gearresteerd 'ten huize van een boer'.

'Van daar zijn ze naar herwaards teruggevoerd en in den vroegen morgen van heden, bij het Gesticht teruggebragt door een politie dienaar van Ommen.' Met 'heden' wordt bedoeld zondag 19 januari en de schrijver van deze zin is de adjunct-directeur van het eerste gesticht, Jannes Poelman. Hij is al de hoogste baas van dat wezenetablissement sinds de start in 1824 en inmiddels is hij 75 jaar. Maar als in eerdere stukken al vaak gezegd: in die tijd waren de oudedagsvoorzieningen nog niet uitgevonden, je moest gewoon blijven werken tot je er dood bij neerviel. Dat laatste zal overigens binnenkort gebeuren, Jannes Poelman zal 14 maart 1845 overlijden.

Maar nu is hij nog vol leven en roept hij die zondagochtend de onderdirecteur-binnen er bij om samen de jongens te ondervragen. Die onderdirecteur is Augustinus Mattheus Jacobus Textor, 33 jaar en een zoon van de allereerste onderdirecteur Jacob Heinrich Textor, die in 1831 tijdens de mobilisatie tegen de afscheiding van België vrijwillig in dienst van de Gelderse schutterij was gegaan om tegen de opstandige Belgen op te trekken en daarvan nooit is weergekeerd.

De heren nemen de verklaring van de jongens 'Kieseling' - maar dat scheelt maar één lettertje dus daar doen we niet moeilijk over - op en maken er een proces verbaal van. De jongens, vernemen ze, zijn maandag 13 januari, de dag na hun vaders bekering, 'uit eigen beweging naar de Pastorij geweest, om den Pastoor te verstaan, of er geene mogelijkheid bestond, zij bij het R. C. geloof konden verblijven'. De dag erop, dinsdag, zijn ze gewoon naar de roomse cathechisatie geweest, wat Poelman en Textor schrijven als 'cathegisatie' en hebben ze daar 'de gewone Gods-dienst waargenomen'.

Maar na afloop van de cathechisatie wordt Antonius 'door den Kapellaan in de binnen kamer geroepen'. Daar is ook de pastoor aanwezig. En nu komt het: 'Toen is hij door de beide Heeren aangemoedigd, om met zijnen broeder Willem, weg te loopen, daartoe verstrekkende drie gulden in zilvergeld met eenige appelen.'