Liefde in het bedelaarsgesticht, deel 4a: de doofstomme klompenmaker

Kolonioloog

'Kolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Laat ik er meteen maar nog een doofstomme achteraan doen, dat past wel mooi bij vorige week! Deze staat, zoals dat wel vaker voorkomt bij bedelaarskolonisten, ingeschreven als ‘N.N.’ Bedelaarsnummer 2038 in het boek ‘gemerkt F’, doorlopend in het boek ‘gemerkt G’. Naast de onbekende naam zijn er een onbekende geboortedatum, onbekende geboorteplaats en onbekende godsdienstige gezindheid. Ja, je kunt het niet vragen.

Wel bekend is dat hij op 29 april 1830 is aangekomen uit Groningen, dat hij lang is één el en 547 strepen, dat hij ‘ligtbruin’ haar heeft en ‘ligtblaauwe oogen’, een kleine neus en spitse kin, en bij de ‘merkbare teekenen’ staat ‘stom en doof’, maar dat had ik al verklapt. Na twee maandjes Ommerschans wordt hij gedetacheerd in Veenhuizen.

Hij komt in de post voor omdat hij najaar 1834 een rekwest heeft ingediend met een verzoek om ontslag. Dat snap ik niet. Als je een rekwest kunt schrijven of kunt laten schrijven, dan kun je ook duidelijk maken hoe je heet en wanneer je geboren bent. Toch?

Het verzoek wordt mede ingediend door bedelaarskolonist 734. Maria Hendrika Nederhoed, 22 jaar en afkomstig uit Winschoten, tien centimeter korter dan N.N. en volgens het signalement verder voorzien van een ‘dikke neus’ en ‘ronde kin’. Zij staat na twee jaartjes Ommerschans en Veenhuizen op het punt ontslagen te worden en dat is de reden dat het rekwest is geschreven, want zij en N.N. hebben trouwplannen!

Een rekwest, meestal gericht aan de koning of diens familieleden, gaat altijd naar het ministerie van Binnenlandse Zaken dat een advies over het rekwest uitbrengt dat zijne majesteit nagenoeg altijd navolgt. Om te kunnen adviseren stuurt Binnenlandse Zaken het eerst naar de gouverneur van de provincie waar de rekwestrant vandaan komt en die informeert bij de desbetreffende gemeente. Als de mening daarvan bij Binnenlandse Zaken binnen is, gaat het hele pakket voor ‘berigt, konsideratien en advys’ naar de Maatschappij van Weldadigheid.

Van Konijnenburg verzamelt daarop de meningen van de staf over N.N. en meldt: ‘Deze is doof en stom, doch anders een sterke en vlijtige jongen, die het klompenmaken te Veenhuizen zoo verre geleerd heeft, dat hij als knecht, buiten de kolonien, mogelijk in zijn onderhoud zou kunnen voorzien.’ Maar om dat ambacht als baas uit te oefenen is N.N. nog niet goed genoeg en Van Konijnenburg kan zich ook niet voorstellen dat hij al in staat is een gezin te onderhouden. ‘Daarbij is hij nog jong en het is dus in zijn welbegrepen belang, dat hij zich eerst nog verder bekwame, alvorens hij uit de kolonien worde ontslagen.’

Die mening stuurt de permanente commissie - inclusief het originele rekwest en de opvattingen van de gemeente en gouverneurs; jammer genoeg zitten zulk soort spullen dus niet in het archief van de Maatschappij - naar Binnenlandse Zaken op 10 november 1834. Maria Hendrika Nederhoed is dan al ontslagen. Maar N.N. zit nog in Veenhuizen.

Januari 1835 komt het ministerie van Binnenlandse Zaken er op terug. Ze hebben er nog eens over nagedacht en ze snappen het niet helemaal. Ze kunnen zich niet voorstellen ‘hoedanig die doofstommen thans deszelfs verlangen om ontslag te kennen zou hebben kunnen geven’. Daarom vragen ze zich af of hij het wel écht wil.

Daarnaast kunnen ze zich niet voorstellen wat de vooruitzichten voor Maria Hendrika Nederhoed zijn ‘om met dien ongelukkige een huwelijk aantegaan’. Hoe moet dat gezin aan de kost komen? Als... het al tot een huwelijk kan komen. Want het ministerie vraagt zich in gemoede af hoe de doofstomme N.N. ‘in staat mogt wezen, om zijn voornemen daartoe, genoegzaam duidelijk, aan den dag te leggen, om de voltrekking van dat huwelijk voor de ambtenaren van den Burgerlijken Stand mogelijk te maken’.

Volgens mij hoef je dan alleen maar ‘ja’ te knikken, maar het ministerie heeft nooit van lichaamstaal gehoord en heeft er blijkbaar behoefte aan de jonge huwelijkskandidaten tot op het bot te betuttelen. Of de Maatschappij hier maar op wil reageren?

Directeur Jan van Konijnenburg komt toch één keer per maand in Veenhuizen, dus dan kan hij halverwege januari 1835 meteen in gesprek met bedelaarskolonist nummer 2038 - zie eerdere stukje. Dat valt niet mee. Van Konijnenburg meldt dat N.N. ‘een weinig schrijven kan, doch te min, om zich, over de onderhavige zaak, voldoende te doen verstaan'.

Maar er is hoop, want ‘meer ervaren is hij in het spreken op de vingers'. Dat duidt er overigens op dat N.N. op het Guyot-instituut gezeten heeft. Met die vingers en met gebaren kan hij zich volledig duidelijk maken bij ‘zijne medgezellen in de klompenmakerij'. Gelukkig voor Van Konijnenburg is er een andere kolonist bij ‘die de vingerspraak voldoende verstaat' en via hem komt hij dingen van N.N. te weten.

Hij kan rapporteren dat ‘zijn verlangen wel is, om te worden ontslagen en om met de ontslagen kolonist M. H. Nederhoud een huwelijk aan te gaan'. Zelf heeft de directeur daar twijfels bij: ‘althans met haar te leven; want of hij wel een duidelijk denkbeeld heeft van het huwelijk, daaraan meen ik te moeten twijfelen.'

Er blijkt contact te zijn met de al ontslagen Maria Hendrika Nederhoed, want N.N. kan melden dat zij ‘zich te Roon, bij eenen bakker ophield', en dat stemt overeen met wat Van Konijnenburg weet. Of ze met Roon bedoelen Rhoon weet ik niet. Als toekomstperspectief ziet N.N. ‘dat hij, des zomers, in den turf wilde gaan werken en des winters klompenmaken zou en zoodoende in hun beider onderhoud zou trachten te voorzien'.

De directeur heeft daarbij dezelfde twijfels als het ministerie. Bijvoorbeeld 'of de ambtenaar van de Burgerlijken stand vrijheid hebben zou, dat huwelijk te sluiten, zonder meerdere of volkomener overtuiging, van het juiste begrip van het huwelijk van die doofstommen'.

Maar aan de andere kant...: N.N. is 'gewis méér dan 23 jaren oud', hij is gezond en sterk en ook nog eens vlijtig en inmiddels redelijk geschoold in het klompenmaken, dus er is eigenlijk geen ontkomen aan om hem binnenkort op te nemen in de jaarlijkse ontslagvoordracht. En dan moet het, aldus de directeur, maar overgelaten worden aan N.N. en aan Maria Hendrika Nederhoed, 'welke hij zekerlijk spoedig zal gaan opzoeken', of ze zich ergens bij de burgelijken stand aanmelden en dan moet maar afgewacht worden of die ambtenaar zich bevoegd voelt het huwelijk te voltrekken.

Hèhè, denk ik dan. Eindelijk wordt eens iets aan de mensen zelf overgelaten. Op 28 maart 1835 wordt N.N. ontslagen.

En... nee! Het spijt mij vreselijk jullie te moeten teleurstellen. Er is niets zo erg als lezers een domper te bezorgen. Maar het is niet anders.

Het wordt hem blijkbaar niet tussen Maria Hendrika Nederhoed en N.N. Na negentien maanden keert N.N. terug in het bedelaarsgesticht. Er is dan op de een of andere manier een naam bekend, hij blijkt te heten Johannes Ham. Hij is nu binnengebracht door Leiden en volgens deze inschrijving is hij een paar jaartjes jonger dan ze eerst dachten. Daarna wordt het min of meer bekende verhaal, hij wordt vrijgelaten, keert na een paar jaar terug, wordt vrijgelaten, enzovoort. Zijn laatste ontslag is in 1854, als hij dus rond de veertig jaar oud zal zijn. Maria Hendrika Nederhoed kom ik bij wiewaswie tegen als ze in 1844 in haar geboorteplaats Winschoten trouwt met een ook daarvandaan komende arbeider.

Het spijt me heel erg. Ik had het graag mooier voor jullie gemaakt.