Jean Pierre Vaubaillon, deel 1

Kolonioloog'Kolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Voor de afwisseling maar eens een verhaal waarin een beetje goed voor mensen gezorgd wordt en dat - voorzover mij bekend - beter afloopt dan de meeste verhalen. En ook omdat ik het zo lekker vind dat ik tegenwoordig zoveel op internet kan vinden. Het gaat over Jean Pierre Vaubaillon en die komt volgens een aantekening op een brief in de kolonie met ‘zijn stiefvader de veteraan Pollet’ in 1828.

Dat is dan te vinden - zie hier hoe dat werkt - in invnr 1589. Pieter Pollet is een kannonnier die op 14 mei 1828 op de kolonie aankomt met echtgenote Maria Anne Rigaut en vier kinderen. Waaronder Jean Pierre die dan acht jaar oud is. Volgens een notitie in dat stamboek is Pieter Pollet een van de veteranen die van Veenhuizen naar de Ommerschans verhuist om daar als veldwachter te werken.

De preciese familie-verhoudingen zijn mij onbekend, ik neem aan dat die mevrouw Rigaut de moeder van Jean Pierre is die na de dood van haar eerste echtgenoot met Pollet hertrouwd is. Maar zij overlijdt al twee jaar later, zoals je dat in die tijd héél vaak ziet, enkele dagen na de geboorte van een kind.

Weer twee jaar later wordt Jean Pierre uitgeschreven, hij gaat ‘naar het instituut te Groningen 21 september 1832’. Dan weten we meteen dat Jean Pierre doofstom is, want er is maar één instituut in Groningen en dat is het Guyot-instituut voor doofstommen. Opgericht in 1790 door Henri Daniël Guyot, ik doe een plaatje bij uit de Groninger Volksalmanak ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van het instituut.

 Stukje 67 - Afbeelding instituut doofstommen

Zo bijzonder als de koloniën van weldadigheid zijn, zo bijzonder is het bestaan van een instituut voor een specifieke handicap. Ik zou uit die tijd geen andere gespecialiseerde zorginstelling weten. Dat is niet helemaal goed geformuleerd: eigenlijk weet ik geen enkele zorginstelling, laat staan een gespecialiseerde. En de stad Groningen én de Staat der Nederlanden laten regelmatig blijken dat ze heel trots zijn op het daar verrichte werk, dat na de dood van Henri Daniël Guyot wordt voortgezet door zijn zoon Charles Guyot.

De relatie tussen het Guyot-instituut en de koloniën van weldadigheid is uitstekend. Als er op het instituut een leerling is die toch niet doofstom blijkt te zijn, wordt hij door de koloniën opgenomen en er gaan met regelmaat op kosten van de kolonie doofstomme kolonistenkinderen naar Groningen om er gebarentaal te leren en ook op andere manieren te worden voorbereid op hun toekomst. Zie hier bijvoorbeeld de kolonist Dirk van Hoogmoed (oospronkelijk uit Haarlem) die op de Kleine Raad voor de Gewone Koloniën van 31 juli 1841 toestemming komt vragen om een paar dagen weg te mogen om zijn zoon van het ‘doofstommeninstituut’ op te halen:

 Stukje 67 - Verzoek Dirk van Hoogmoed

Op het instituut leren ze ook een vak en als Jean Pierre er na acht jaar van af komt, hij is dan dus twintig jaar, is hij geschoold tot huisschilder, wat in die tijd dan ‘verwer’ heet. Maar hij durft de gewone maatschappij nog niet aan. Hij wil terug naar de kolonie en dat is lastig, want stiefvader Pollet is dan vertrokken. Waarom dat is weet ik niet, maar we kunnen er wel vermoedens bij hebben. Als directeur Jan van Konijnenburg namelijk schrijft dat de veldwachtersdienst op de Ommerschans niet zonder gevaar is omdat groepen bedelaars ‘met stokken en messen gewapend’ proberen te ontsnappen - zie ook dit verhaal - voegt hij daar aan toe: ‘waarvan, onder anderen de Veteraan Pollet ondervinding gehad heeft’. En dat schrijft Van Konijnenburg rond de tijd dat Pieter Pollet van de kolonie weggaat...

De Maatschappij vindt echter een oplossing voor Jean Pierre Vaubaillon, ze neemt hem weer op als ‘eenlopend persoon op de tweede helft van het kontrakt van 16 en 19 juni 1826’. Wat dat precies is ga ik nu niet uitleggen want dan gaat de vaart eruit - ik beloof het wel binnenkort een keer te zullen doen. Voor dit moment volstaat dat hij wordt behandeld als een ingedeelde. Hij komt dus bij koloniale gezinnen in de vrije koloniën in huis.

Hij begint die carrière bij de net al even genoemde Dirk van Hoogmoed in Frederiksoord. Dat zou leuk moeten zijn, want die heeft zelf een doofstom kind, maar het houdt na anderhalve maand al op. Daarna komt Jean Pierre, zoals wel meerdere ingedeelden overkomt, gedurende zes jaar bij diverse kolonistengezinnen: Johannes Antonius Schouten, Rinse Michiels Ruiter (althans diens gezin, zelf is Rinse Michiels al overleden), Hendrik Martens van de Boom (onthoud die naam voor de volgende keer), Abraham van Anker van de Linden, Lodewijk Harmeling, Casper Bollen (althans diens gezin, zelf is Bollen senior overleden), Cornelis van Os jr., Josephus Souverein en Servatius Bollen (zoon en opvolger van de eerder genoemde Casper Bollen). Bijna allemaal in Frederiksoord, met één keer een uitstapje naar het aangrenzende Wilhelminaoord.

Hij hoeft die tijd niet op het land te werken, er wordt later gezegd dat hij deze periode samen met Cornelis Nobbe, een van de kinderen van de weduwe Nobbe, op de kolonie ‘het verwerswerk heeft waargenomen’. Op 25 juni 1846 komt er een eind aan al dat verhuizen en aan het schilderen van koloniehuisjes: Jean Pierre heeft een baas gevonden en hij gaat ‘op zijn verzoek’ met ontslag. Maar binnen een half jaar is hij terug...