De gelegenheid om zijn lusten aan haar te kunnen voldoen

Kolonioloog'Kolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Niet alle klachten die bedelaarskolonisten na hun vrijlating uiten, zijn zo terecht als die van vorige week, zie hier. In een brief gedateerd 4 juni 1844 worden diverse ‘ongeregeldheden’ bij het tweede gesticht te Veenhuizen beschreven door Pieter Wendelgelt en dat is een vaste klant – het heeft zich allemaal afgespeeld tijdens zijn vierde verblijf in de bedelaarsgestichten en daarna zal hij er nog een keer of negen komen – dus die moet je te vriend houden. Maar als Jan van Konijnenburg het allemaal heeft uitgezocht, kan hij melden dat het ‘een lasterschrift is, hetwelk geen opmerkzaamheid verdient.

Pieter Wendelgelt begint zijn brief – en dat is wel netjes van hem – met de Maatschappij van Weldadigheid te bedanken voor de genoten gastvrijheid. Daarna beschuldigt hij een wijkmeester die hij Van Leemmen noemt ervan ‘de Kolonisten hun wettig verdiende loon te onthouden, en te behandelen niet als menschen maar als beesten’. De wijkmeester heet Hendrik van Lemel en die kan het wel begrijpen. ‘Deze, namelijk, had Wendelgelt, als opziener, bevonden verdiensten te hebben opgeschreven, die niet gemaakt waren.’ Daarop had de wijkmeester Wendelgelt aangegeven en waren hem zijn functie en de daaraan verbonden bezoldiging afgenomen.

Hoofdmoot van Wendelgelts klachten over Veenhuizen-2 zijn zaken die ‘tegen alle eerbaarheid strijd’ en die bedoeld lijken ‘onzedelijkheid aan te kweken’. Het speelt vooral in het washuis van het gesticht en tussen ‘verscheidene geemploijeerden met de in het Waschhuis geplaatste meiden’. De ‘Boven briggedier der Veldwachters’ is hierin de ergste, hij ‘houd zich op met een meid Maria Elteren’ en vooral zondagochtend vroeg en ’s avonds als alle anderen binnen zijn, is hij voortdurend in de gelegenheid ‘om zijn lusten aan haar te kunnen voldoen’

Als Van Konijnenburg met de bewuste Maria van Elteren en de brigadier-veldwachter De Vries heeft gepraat, komt er een wat ander verhaal. Pieter Wendelgelt heeft met Maria van Elteren ‘vier jaren, zoo binnen als buiten de kolonien, verkeering gehad’. Ten bewijze daarvan laat Maria de directeur een vers zien dat ze voor haar verjaardag van Wendelgelt had gehad.

‘In den laatsten tijd, evenwel, heeft zij niet meer van hem willen weten.’ Dat had Wendelgelt niet gepikt en hij was haar blijven opzoeken in het washuis, waar zij blijkbaar te werk gesteld is. Toen hij zijn zin niet kreeg heeft hij haar zelfs geslagen, en daarop heeft de wasvrouw de hulp van de brigadier-veldwachter ingeroepen. Die heeft Wendelgelt ‘herhaaldelijk van daar moeten verdrijven’ en brengt hem tenslotte voor de onderdirecteur-binnen, die ‘hem over zijn loopen dáár en de mishandeling van Van Elteren ernstig onder handen genomen heeft’.

Niet verwonderlijk dat die onderdirecteur, Gerard Johannes Hendriks, de volgende is die in Wendelgelts brief beschuldigd wordt. Hij heeft het ‘met een meid aangelegen welke bij hem heeft gediend, wel zoo verre als dat hij vader is geworden van een onecht kind’. Nu klopt het dat een bedelaarskoloniste die bij Hendriks in de huisdienst heeft gewerkt kortgeleden is bevallen van een onecht kind, maar die vrouw – ‘hoe ook uit gelokt, om zulks te bekennen, wanneer dat zoo ware’ – noemt niet Hendriks maar anderen als mogelijke vaders en bovendien is zij naar aanleiding van haar zwangerschap door diezelfde Hendriks voor de Raad van Tucht gebracht.

Kortom, er is niets van alles waar, we kunnen gerust zijn: er gebeurt niets in het washuis dat het daglicht niet kan verdragen, het is louter laster en die was ook al aangekondigd. Want Maria van Elteren vertelt ‘dat Wendelgelt, bij zijn vertrek, gezegd had, zich wel op haar en genoemde ambtenaren te zullen wreken’.

Maar dan... is het toch wel opmerkelijk dat hij daar deze weg voor kiest. Blijkbaar heerst er onder de bedelaars – we zagen dat vorige week ook al: ‘Als het u weledele wist, souw het seker niet gebeuren’ – het gevoel dat de permanente commissie rechtvaardig is en op zal treden tegen elke onheuse bejegening van haar kolonisten. Dat is toch wel bijzonder.

(met dank aan Jan Ebels)