Ter verkwikking der zieken

KolonioloogKolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Leveranciers maken zich nogal eens kwaad op de Maatschappij van Weldadigheid. Meestal betreft dat nalatigheid in het betalen van rekeningen. Berucht is ene meneer Ter Spill uit Groningen die daarover tien-tal-len keren schrijft en die met zijn gemopper zo’n beetje half batch 407 in beslag neemt. Ook Thomas Ainsworth, beschouwd als de grondlegger van de Twentse textielindustrie, komt in dit verband tot zijn dood in 1841 regelmatig voor. Hij geeft met zijn ‘bleek’ in Goor al tien procent korting vanwege het goede doel en dan nog...

Andere keren betreft het de aanbesteding van winkelwaren. Dat komt mij niet onterecht voor. Die openbare aanbesteding is elk kwartaal in Frederiksoord, maar ook als je daar de laagste inschrijver bent wil dat niet zeggen dat de leverantie je gegund wordt. Want daarna gaat de Maatschappij aan een Amsterdams bedrijf vragen of ze onder die prijs willen gaan zitten. Dat vind ik niet zo netjes zaken doen.

Voorzover ik kan overzien is de praktijk dat dat Amsterdamse bedrijf meestal de meeste winkelwaren levert. Waarbij ze de Friese en Leidse kaas betrekt van een firma die Heineken heet. Zou dat familie zijn?

Een leverancier uit Zwolle heeft een andere klacht en gaat in zijn brief wel erg ver. Het schrijven is van augustus 1843 en komt van de firma Doyer en Prumers uit Zwolle. Ik kan niet zien of het nu Doyer is die schrijft of Prumers, maar dat is niet zo belangrijk, waar het om gaat is dat de heren al vanaf 1831 wijn leveren aan de Ommerschans.

Wijn, even ter verduidelijking is uitsluitend voor de mensen die in het gestichtshospitaal liggen. Op de begrotingen die af en toe tussen de post zitten, worden onder het kopje ‘ter verkwikking der zieken’ altijd een paar aan te kopen produkten genoemd waar volgens de geneesheren de zieken van opknappen. Naast citroenen zijn dat eieren, beschuit en wijn.

O tempora, o mores (ach, wat een tijden, ach, wat een zeden). In hedendaagse ziekenhuizen zie je nooit een verpleegster met een flesje wijn aan het bed komen.

Maar goed, die leverantie was voor de prijs van f 20,50 per anker (volgens wikipedia is dat rond de 35 liter) en ‘wij hebben nimmer eenige aanmerking over de kwaliteit der wijn gehad’. Die prijs is inclusief de accijns en als we ze mogen geloven verdienen Doyer en Prumers er nauwelijks aan, ‘maar het is niet daarom dat wij UHEdelGestr: deze schrijven’. De reden van de brief is dat de leveranties kortgeleden zijn opgehouden omdat ‘de heer directeur J. van Konijnenburg order geeft dat de wijn aan het hospitaal voortdurend uitsluitend van de heeren Trens en Schaepman alhier ontboden wordt’.

Als ze goed geïnformeerd zijn betaalt de Maatschappij daarvoor 23 gulden per anker. En de reden dat er 2,50 per anker meer wordt uitgegeven, onthullen de heren Doyer en Prumers, is dat de broer van voornoemde Schaepman pastoor op de Ommerschans is!!

Dat is toch verkwisting van het geld voor het goede doel van de Maatschappij van Weldadigheid!

De gepasseerde wijnhandelaars melden dat ze deze kwestie uitgebreid in hun vriendenkring in Zwolle hebben rondgebazuind en ook die vrienden vinden ‘deze handelwijze van den Heer Directeur zeer onaangenaam’.  Met als gevolg, nog steeds volgens Doyer en Prumers, dat die vrienden ‘ook dadelijk als lid der Maatschappij van Weldadigheid wilden bedanken en de reden daarvan door middel van een naburig dagblad bekend maken’.

Zo, het dreigement staat.

Nu de chantage nog afronden: Doyer en/of Prumers hebben die vrienden ‘vriendelijk verzocht dat wij UHEdelGestr: er eerst over mogten schrijven waarna hun nader zouden informeeren of onze brief aan UHEdelGestr: ook invloed op het besluit van den Heer Konijnenburg zoude hebben’.

Zo, klaar. Maar alles bij elkaar is het wat té grof en rechttoe, ik betwijfel ten zeerste of Doyer en Prumers hiermee succes hebben geboekt. Als jullie de heren na 1843 nog ergens tegenkomen, hoor ik het graag.

(NB: Dit stukje heeft geen vervolg, maar staat op zich. Voor een vervolgverhaal moet ik eerst weer materiaal verzamelen. Ik hoop zover te zijn dat ik weer een (klein) feuilleton kan gaan doen als we over de 90 procent zijn).