Het Paasoproerfeuilleton, afl 8

KolonioloogKolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Visser vertoont zich dan hier dan daar, op het plein, buiten het gebouw. ‘Ook eenmaal, als wilde ik naar iemand vragen, onder de mannen die wel binnen het hek, doch alle buiten de zalen en op groote hopen te zamen stonden’. Hij doet zijn best geen enkele bezorgdheid te laten merken, ‘zoo min als zoogenaamde moed, of uitdaging’. Dat laatste zou averechts kunnen werken, bij zijn verzoek aan kapitein Thonhäuser om gewapende veteranen achter de hand te houden, had hij ook gevraagd dat te doen ‘zonder eenig uitwendig vertoon van buitengewone maatregelen’. 

‘Tot dat eindelijk omstreeks half acht, men mij kwam zeggen, ik was toen buiten het Etablt., dat er eene buitengewone beweging onder de kolonisten bespeurd werd, en welke boodschap onmiddelijk werdt gevolgd van eene andere, dat de kolonisten mij wenschten te spreken. Ik liet hun zeggen dat zij daartoe spoedig in de gelegenheid zouden worden gesteld.’

Zoals iemand die belangrijk is heden ten dage ook altijd doet, laat hij ze eerst even wachten, volgens hem ‘eenige minuten’. Dan gaat hij naar het plein, ‘waarop mij eene hoop van misschien 15 of 20 kolonisten te gemoet kwam’. Dat zijn er te veel. ‘Al aanstonds begon ik met op eene even bedaarde als ernstige wijze te beveelen, dat allen, met uitzondering van drie hunner, zich onmiddelijk binnen het hek moesten begeven.’ Het woord ‘beveelen’ heeft Visser onderstreept en de toon werkt, ‘waaraan dan ook zonder tegenspreken werd voldaan’.

Aan de drie overblijvers vraagt hij wat ze hem te zeggen hebben.

Het antwoord is dat ze te weinig voedsel krijgen. Te weinig om op te werken en met gevolg ‘dat zij somtijds flaauw van den honger waren’. Ze verlangen ‘dagelijks een pond brood, het zij in eens of des morgens en des avonds de helft daarvan te ontvangen’.

Daar is Visser snel mee klaar, dat kan niet, hij deelt mee ‘dat hier aan in geen geval kan worden voldaan’. Er zijn in reglementen vastgelegde bepalingen over de hoeveelheid voedsel en daar kan niet van afgeweken worden. Net als in eerder gesprekken met bedelaars ziet Visser er geen been in om adjunctdirecteur Kluvers publiekelijk af te vallen. Eerder had hij ze al kond gedaan van ‘mijne afkeuring van de toegeeflijkheid der Directie’ en nu zegt hij over de broodverstrekking op maandagavond dat dat een ‘strafbaar pligtverzuim’ was. 

Voorzover Jacob Kluvers nog enig gezag had in het gesticht, dan is dat na zulke uitspraken wel verdwenen. Het zijn ook twee geheel verschillende types. De 50-jarige Wouter Visser, geboren in Sliedrecht, getrouwd met een zus van de echtgenote van Johannes van den Bosch, heeft een militaire achtergrond, hij is luitenant adjudant majoor geweest. Jacob Kluvers, geboren in Wijhe en nu 43 jaar, is van oorsprong kruidenier.

In 1825 had hij gereageerd op een advertentie waarin de Maatschappij een algemeen winkelier vroeg. Hij meldde toen dat hij ‘het vak van kruidenier en grossier’ al vele jaren uitoefende, eerst drieënhalf jaar ‘te Zwoll bij den Heer J. de Goeijen’ en nu sinds zes jaar bij ‘Mejuffrouw de wed. D. Simonsz te Zaandam’. Van allebei die werkgevers weet hij zeer gunstige getuigschriften te overleggen en als de Maatschappij bij de subcommissie van weldadigheid Zaandam naar hem informeert, melden die dat zij ‘de gunstigste informatien aangaande hem bekomen hebben, zoo wel betreffende zijne bekwaamheid als zedelijk gedrag’. Dan wordt Jacob Kluvers algemeen winkelier te Frederiksoord. Hij had toen niet durven dromen dat hij ooit leiding zou geven aan een gesticht met bijna 1400 bedelaars.

Maar ter zake. Terwijl genoemde Jacob Kluvers in zijn woning aan de buitenzijde van het gesticht afwacht hoe dit af gaat lopen, staat Wouter Visser nu voor de taak de bedelaars uit te leggen dat zij - gezien de reglementen - geen honger hebben.

Het Paasoproerfeuilleton, afl 9
Visser meldt dat er ‘geene reden van klagten te dien aanzien bestonden’. De minimum-hoeveelheid die iedereen krijgt is genoeg ‘voor iemand die niet werken kan of wilde’ en degenen die wél werken hebben winkelkaartjes om ‘zich van meerder voedsel te voorzien’. Er valt niet achter te komen wat daar tegenin gebracht wordt, want er is alleen een verslag van het gesprek door Visser. Die meldt over zijn gesprekpartners slechts: ‘Zij wilden het tegendeel staande houden.’

Maar ‘na eenigen tijd hierover te hebben gesproken’ vindt Visser het welletjes. Hij verklaart dat ‘dit nu lang genoeg geduurd had’. Zij kunnen op niets meer rekenen dan in het reglement is vastgelegd, het enige is dat hij belooft hun klachten te zuLlen overbrengen aan de permanente commissie. Maar ook ‘hun misdadig gedrag van gisteren avond en dezen morgen’ zal hij bij die commissie melden. En nu beveelt hij hen ‘naar binnen te gaan en zich rustig te gedragen’.

En dan...

Dan zijn blijkbaar de negentiende eeuwse verhoudingen weer geheel hersteld. Met dit bevel, ‘waaraan onder het zeggen van Mijn Heer Uw Dienaar, slaapt wel! onmiddelijk werd voldaan’.

Ik snap het niet helemaal. Het rommelt overal tussen de standen, links en rechts zijn opstanden en broodoproeren, over een paar jaar verschijnt het Communistisch Manifest en breekt met de Februari-revolutie in Parijs een tijdperk van revoltes aan en hier zegt men ‘Mijn Heer Uw Dienaar, slaapt wel’???

En zo te lezen gedraagt meneer Visser zich toch ook irritant genoeg om even heel erg pissig te worden??

Anderzijds..., als ze doorzetten zoals een paar jaar later in 1843, dan wordt er door de veteranen met scherp geschoten en wordt bij de rechtbank de doodstraf tegen de aanstichters geëist.

Het wordt toch nog heel eventjes spannend, want ‘gedurende dit onderhoud stonden hunne lastgevers te zamen aan de opening of ingang van het hek te wachten, zeker verlangende den uitslag der zending te vernemen’. Als de drie afgezanten verslag hebben gedaan, is het eerst even stil, ‘doch spoedig ging een algemeene kreet, waarschijnlijk van afkeuring op’.

Daarna hoort Visser nog ‘afzonderlijke beledigende uitroepen die hoogst waarschijnlijk tegen mij gerigt waren’. Schelden doet geen pijn en hij doet alsof hij het niet gehoord heeft. Daarna gaat de meute langzaam uiteen en begeeft iedereen zich naar zijn hangmat. Visser gaat naar ‘den Adjt. Direct. die in zijne woning den afloop der zaak afwachtte’.

Volgens Visser is hiermee alles geregeld. ‘Dezen avond en volgenden morgen scheen de rust hersteld, en ik begaf mij tot voortzetting mijner Inspectie reize naar Wateren.’

Maar helemaal afgelopen is het niet, voor in ieder geval sommigen gaat de zaak zeker staartjes krijgen.

Het Paasoproerfeuilleton, afl 10
Wouter Visser bekort zijn verdere inspectie wel enigszins. ‘Slechts twee dagen heb ik mij in de gewone koloniën opgehouden, om dat en mijne eigene gezondheid en famielle betrekkingen in ’s Hage mijne spoedige terugreize scheenen te vorderen.’ Zijn uiteindelijke verslag – inclusief de bijlagen met alle lijsten, kasoverzichten, magazijnvoorraden enzovoort, grof geschat zullen het over de driehonderd vel zijn – laat ook nog een tijdje op zich wachten, maar blijkbaar gaat hij de eerste dagen van mei wel langs op het kantoor van de permanente commissie om alvast een en ander te vertellen.

Daar breekt de pleuris uit.

Zaterdag 2 mei stelt men vast ‘dat de staat van onrust waarin de bevolking van het 2e Gesticht te Veenhuizen verkeert, buitengewone maatregelen noodzakelijk maakt’. Men kan drie buitengewone maatregelen bedenken. De eerste betekent een retourtje voor Visser. De permanente commissie besluit ‘den Inspecteur der kol. te gelasten zich met spoed naar Veenh. te begeven, ten einde de verstoorde rust in het 2e Gesticht aldaar te herstellen’. Om de boel rustig te krijgen, verstrekt de permanente commissie aan Wouter Visser een ‘volmagt daartoe zoodanige maatregelen te nemen, als de omstandigheden te deze blijken te vereischen’.

De tweede en de derde maatregel hangen met elkaar samen. Directeur der koloniën Jan van Konijnenburg is sedert enkele dagen met verlof. De reden heb ik niet kunnen vinden, maar het zal ongetwijfeld met familie te maken hebben, want hij is ‘thans met verlof te Noordwijk’ en Noordwijk-Binnen is zijn geboorteplaats.

Even voor een goed begrip: het verschijnsel vakantie is nog niet uitgevonden. Een werknemer van de Maatschappij is gewoon altijd in dienst. Als je er een keer tussenuit wilt zul je bij de werkgever verlof moeten aanvragen. En dat hoef je niet te vaak te proberen, normaliter weigert de Maatschappij aan zo’n verzoek te voldoen als je het jaar ervoor al verlof hebt gehad.

Het is dan ook zeldzaam, eens in de paar jaar een weekje, dat Jan van Konijnenburg niet op kantoor in Frederiksoord is. Zolang hij weg is, worden zijn taken waargenomen door de adjunctdirecteur voor de vrije koloniën Coenraad Hulst. Omdat men van plan is Coenraad Hulst naar de brandhaard te sturen, zal Jan van Konijnenburg van verlof moeten terugkomen. De permanente commissie besluit hem ‘te kennen geven dat de P.C. zich verpligt ziet het aan hem verleende verlof intetrekken, met uitnoodiging van onmiddellijk naar Frederiksoord op zijnen post terug te keeren’.

Daarbij is ‘uitnoodiging’ eufemistisch, hij moet gewoon. En woensdag 6 mei staat in een brief van de directeur vanuit Frederiksoord ‘gisteren alhier, op UWedGeb: last, wedergekomen zijnde’, dus gezien de reistijden van toen heeft hij zich inderdaad gehaast.

En dan is er een bijzondere rol weggelegd voor Coenraad Hulst, maar over hem eerst iets meer, want het is iemand die we in de post regelmatig tegenkomen. Hij komt duidelijk uit iets betere kringen dan de doorsnee koloniebewoner. De sollicitatiebrief die hij april 1824 schrijft, is een gesophisticeerd kunststukje. Het is dan, schrijft hij, al tien jaar dat hij in zijn geboorteplaats Assen ‘onafgebroken als geemployeerde op onderscheidene kantoren, meestal van financielen en administrativen aard ben werkzaam geweest’. Maar dat zijn allemaal geen vaste banen en hij is dan bijna 27 jaar en er is sprake van een ‘reikhalzend verlangen om tot een meer gevestigd bestaan te geraken’. En daarom, aldus Hulst, ‘dat ik mijne blikken vestigde op de administratie der kolonien’.

De kolonie Veenhuizen is dan net in oprichting en de Maatschappij maakt gebruik van Hulsts aanbod ‘om een of twee maanden zonder beloning in het eerste gestigt, in den bedoelden post werkzaam te zijn, om de Directie te overtuigen of en in hoe verre ik voor de bedoelde werkkring berekend was’. Met dien verstande dat ze er drie maanden proeftijd van maken en hem in het derde gesticht zetten. Hij wordt daar onderdirecteur-binnen (jaarsalaris 500 gulden) vanaf de start van dat gesticht in 1825. Dat doet hij negen jaar.

Dan komen er in 1834 diverse functies vrij waarop hij solliciteert, wat ik in dit stukje even noem, en wordt hij bevorderd tot adjunctdirecteur bij het bedelaarsgesticht Veenhuizen-2 (jaarsalaris 1000 gulden). Dat is een functie waarvoor iemand een borgtocht van duizend gulden moet stellen en dan blijkt weer de goede afkomst van Hulst, want de borgsteller is niemand minder dan een zoon van de voormalige gouverneur van Drenthe, Hofstede. 

De volgende carrièrestap is in 1836. Per 1 april van dat jaar wordt hij adjunctdirecteur voor de gewone of vrije koloniën (jaarsalaris 1200 gulden). Coenraad Hulst is dan 39 jaar en hij zal dit werk altijd blijven doen. Hij haalt daarna ook zijn familie binnen, want zijn twee jaar jongere broer Adrianus Hulst wordt in 1838 de nieuwe adjunctdirecteur van de kolonie Ommerschans en zal dat altijd blijven.

De organisatie in de vrije koloniën is dat ze alledrie een onderdirecteur aan het hoofd hebben. In 1840 is dat in Willemsoord Jan Lamberts Hoving, een voormalig wijkmeester uit Veenhuizen. In Frederiksoord is dat Hendrik Faaken, een oudgediende die al in het gebied woonde lang voordat de Maatschappij zich er vestigde en in Wilhelminaoord is de onderdirecteur Anne Hendriks Idserda. Die drie worden aangestuurd door de adjunctdirecteur voor de vrije koloniën en dat is vanaf 1836 dus Coenraad Hulst. Hij woont behoorlijk riant, in een huis dat niet zo ver van de school van Wilhelminaoord afstaat en dat de naam ‘Welgelegen’ draagt, wat Coenraad Hulst ook altijd trots boven zijn brieven zet en waarvan ik een fotootje uit het begin van de 20e eeuw bijvoeg, dat ik heb van de bijzonder goed-gedocumenteerde site van fledderkerspel: 

Het is trouwens in dat pand dat Coenraad Hulst in 1843 door de vrije kolonist Johannes Hermanus Kniessenberg met een mes zal worden bewerkt, maar dat even terzijde en terug naar 1840.

De Maatschappij wil profiteren van de ervaring die Coenraad Hulst heeft opgedaan als adjunctdirecteur van het tweede gesticht door hem daar weer naar toe te sturen. Hij wordt opgedragen ‘zich onverwijld derwaarts te begeven’. Met als opdracht om ‘provisioneel’, voorlopig, ‘het bestuur van den Heer Kluvers overtenemen’. 

Het zal ook Jacob Kluvers duidelijk zijn dat hij het niet lang meer gaat redden bij de Maatschappij.

Het Paasoproerfeuilleton, afl 11
Terwijl Wouter Visser en Coenraad Hulst zich naar het tweede gesticht haasten, staat ook de commandant van de veteranen Johannes Thonhäuser op scherp. Hij moet elke maand een verslag inleveren ‘nopens den staat der militaire huisgezinnen’ in de kolonie. Dat verslag stuurt hij naar de permanente commissie en die stuurt het door naar het ministerie van Oorlog, want daaronder vallen de veteranen. Waarom Thonhäuser het dan niet rechtstreeks naar dat ministerie stuurt is een van die negentiende eeuwse hiërarchie-complicaties die voor ons moeilijk te begrijpen zijn.

Het vervelende gevolg voor de onderzoeker is dat de meeste verslagen van Thonhäuser in het archief van de Maatschappij van Weldadigheid niet terug te vinden zijn. Af en toe zit er eentje tussen, die dan zal zijn gekopieerd en in kopievorm naar Oorlog zal zijn gestuurd, en die is dan bijzonder lezenswaardig. Elk ondeugendheidje van een veteraan of een van diens familieleden, hoe miniem ook, wordt door Thonhäuser nauwgezet geregistreerd en aan het ministerie gerapporteerd. Vermoedelijk bevinden de niet in Assen bewaard gebleven rapportages zich in het Nationaal Archief en als dat zo is, kan de hele geschiedenis van de militaire veteranen in de koloniën van dag tot dag uitgezocht en uitgeschreven worden.

In het archief van de Maatschappij van Weldadigheid zijn wel de meeste begeleidende brieven van Thonhäuser aanwezig. Zo ook zijn begin mei binnenkomende begeleidende schrijven bij het verslag over april. In dat verslag aan het ministerie heeft hij ‘niets aangehaald over de wanorde welke hier heeft plaats gehad en misschien nog smeulende is’. Hij betwijfelt namelijk of dat ‘de Permanente Commissie wel aangenaam zoude zijn’. Die laat immers liever niets naar buiten komen over ontevredenheid bij kolonisten.

Johannes Thonhäuser verzekert de Maatschappij dat hij ‘alle maatregelen voor de veiligheid’ heeft genomen die hij kan bedenken. Althans, voor zover het tot de mogelijkheden behoort, want hij wordt beperkt ‘doordien er weinig patronen aanwezig zijn’. Hij heeft daarover al aan Wouter Visser geschreven. Aan hem heeft hij gevraagd om ‘2000 patronen en 2 à 300 steenen’. Die laatsten zullen vuurstenen zijn. Kortom, als het nodig is zijn de veteranen bereid er op los te knallen.

Wouter Visser is nauwelijks terug in Veenhuizen of hij moet weer optreden. Opnieuw speelt het bij zaalopziener De Waal en opnieuw laat de plaatselijke directie het afweten. De 19-jarige bedelaarskolonist Dirk Volmers begint ‘met het eten te werpen, en hetzelve voor zwijnen-eten uit te schelden’. Gijsbertus de Waal vermaant hem ‘niet met zijn voedsel te spotten’, maar de jongeman laat zich niet bijsturen en De Waal neemt hem mee naar de onderdirecteur-binnen. Die doet de jongen ‘scherpe verwijtingen over zijn gedragingen’, maar Dirk Volmers gedraagt zich ‘hardnekkig’ en De Waal krijgt opdracht hem op te sluiten.

Daar is Volmers het niet mee eens: ‘Onder het in arrest brengen liep hij van de zaalopziener weg naar de zaal.’ De Waal gaat eerst weer aan de onderdirecteur vragen wat hij moet doen. Oppakken en opsluiten! De Waal neemt een veldwachter mee, maar als ze bij de zaal komen, ‘stelde zich den kolonist Hermanus van Duin aan het hoofd van eenige medekolonisten, zeggende: dat zij D Volmers niet in arrest lieten nemen’. NB: Hermanus van Duin kan volgens zijn inschrijving ook Hendrikus heten.

Daarna begint iedereen wat besluiteloos te drentelen. De Waal stuurt de veldwachter naar de onderdirecteur, die zegt het tegen de adjunctdirecteur en er wordt een briefje geschreven naar directeur Jan van Konijnenberg in Frederiksoord met een verslag. De veldwachter ‘verhaalde het gebeurde aan den opziener der gebouwen, welke dit aan anderen wederom verhaalde’. En er gebeurt verder niks.

Tot het ‘ter ooren kwam van den Inspecteur der Kolonien’. Wouter Visser begeeft ‘zich onverwijld naar de zaal, haalde genoemde D Volmers uit dezelve’ en sluit hem op. Zo doe je dat.

Een dag later komt het voor de ‘Raad van Politie en Tucht voor Bedelaars Kolonisten’. De eerste zitting van de raad die niet wordt voorgezeten door Jacob Kluvers, maar door Coenraad Hulst met achter zijn naam ‘Adjunct directeur a.i.’, ad interim.

Dirk Volmers komt er genadig van af met drie dagen opsluiting omdat men de indruk heeft dat hij ‘deswegens berouw gevoelde’. Hermanus of Hendrikus van Duin echter, die tijdens de ondervraging ‘met onbeschaamdheid zijn misdrijf bekende’ wordt strenger aangepakt en veroordeeld tot ‘14 dagen provoost arrest in boeyen voorafgegaan met 20 rietslagen’. Daarna wordt het weer rustig.

Het Paasoproerfeuilleton, afl 12
Wat een beetje door alles heenspeelt is dat al enkele tijd terug besloten is de zaalopziener Schaghen in het tweede etablissement te ontslaan. Naar de preciese reden heb ik niet gezocht, maar we weten al dat Anthony Bernardus Schaghen een schuinmarcheerder is, zie in dit stukje. Er was op een gegeven moment ook iets - heb ik nu niet nagezocht – met diefstal door Schagen van kolonisten, maar wat het ook zij: hij ligt eruit.

Zijn echtgenote schrijft deze dagen als ‘een bedrukte vrouw wiens boesem overstolpt is met droefhijd’. Ze smeekt, mede namens haar ‘tiental kinderen’ om hun ‘gewisse ondergang’ te voorkomen.Ze schetst de armoede en het gebrek waaraan zij zullen zijn overgeleverd, alleen al de reis met het grote gezin en al hun goederen stelt hen voor kosten die ze niet kunnen opbrengen.

Zulke wanhopige brieven zijn tamelijk standaard, meestal als een staflid ontslagen wordt volgen er dergelijke smeekbrieven. Niet onterecht, werkloosheidsuitkeringen bestaan nog niet, het komt regelmatig voor dat een ontslagen employé aan de andere kant van de scheidslijn terechtkomt en tot de rangen der bedelaars afdaalt.

Maar interessant is dat een van de leden van de permanente commissie de envelop van die brief heeft gebruikt om alle geplande maatregelen met betrekking tot het tweede etablissement op een rijtje te zetten. Het is niet allemaal te lezen, maar achter de naam van Kluvers staat ‘ontslaan’, hetzelfde (zie onder) achter de naam van Schagen en ook wel duidelijk is wat ze bedoelen als ze achter de naam van Visser zetten ‘pluimpje’.

Wat ze van plan zijn met onderdirecteur Ente en zaalopziener De Waal kan ik echt niet lezen. Daar mogen jullie me bij helpen:

En dan hebben ze dankzij de informatie vanuit het gesticht van Wouter Visser en Coenraad Hulst vijf kolonisten geïdentificeerd als de aanstokers van het broodoproer. Die worden overgeplaatst naar de Ommerschans en krijgen daar twee weken cachotstraf voorafgegaan door rietjesslagen.

De brieven die directeur Jan van Konijnenburg deze periode stuurt, wekken de indruk dat hij de hele toestand nogal opgeklopt vindt. Het is 8 mei als hij schrijft dat Coenraad Hulst eigenlijk snel weer terug moet naar Huize Welgelegen ‘zoo uit hoofde der tegenwoordige ziekelijke gesteldheid zijner vrouw, als omdat hij in zijne eigene betrekking, mede bezwaarlijk lang kan worden gemist’.

En hij wil een eind aan de ‘onbestemdheid van den persoon van Kluvers’. Moet die eruit of moet die er niet uit? Mocht de permanente commissie Kluvers op zijn post laten, en Van Konijnenburg voegt daar nadrukkelijk aan toe ‘waarvoor nog al veel te zeggen zoude zijn en waarop ik voor mij, geen bepaalde bedenkingen zoude te maken hebben’, dan zou de onderdirecteur Ente beter vervangen kunnen worden. Van Konijnenberg vindt Abraham Bernhard Ente ‘een zacht man, van te weinig veerkracht en voorkomen, voor het onmiddellijk opzigt over de huishouding van een bedelaars-gesticht’. Er kan beter een onderdirecteur komen die al eerder ervaring heeft opgedaan met het temmen van bedelaars en dan denkt hij aan Cornelis Wilhelmus Rensing.

Niet dat Ente wat Van Konijnenberg betreft helemaal weg moet. Er is bij het tweede gesticht geen boekhouder en Ente zou ‘in afwachting van een ander emplooi, met behoud van tractement, als boekhouder kunnen blijven en het salaris van onderscheidene schrijvers en andere kleinere emploijés kunnen besparen’. Mocht de permanente commissie er wel toe besluiten Kluvers te ontslaan, dan zou Van Konijnenberg hem graag zien als onderdirecteur bij een van de wezenetablissementen, ‘als hoedanig hij steeds zeer voldaan heeft’.

De permanente commissie gaat maar tot op zekere hoogte met de directeur mee. Inderdaad wordt Ente gedegradeerd tot boekhouder van het tweede gesticht met behoud van het loon van een onderdirecteur (500 gulden per jaar), terwijl tegelijk Cornelis Wilhelmus Rensing wordt overgeplaatst en de functie van onderdirecteur bij het tweede gesticht gaat vervullen. Blijkbaar vindt men het geen bezwaar om twee onderdirecteurssalarissen te betalen.

Maar ten aanzien van Jacob Kluvers gaat men niet met de directeur mee. Hij moet verwijnen. Bij de aantekeningen die mevrouw Kloosterhuis eind vorige eeuw gemaakt heeft, staat een citaat over de relletjes waarvan ik de oorsprong niet weet maar dat authentiek genoeg klinkt om echt uit het archief te komen: ‘De heer Kluvers bezat niet de vastheid en de veerkracht benodigd in dergelijke omstandigheden.’ Per 31 mei dient de voormalige kruidenier de kolonie verlaten te hebben. Over zijn verdere omstandigheden is niets bekend, maar Jacob Kluvers zal al vier jaar later te Groningen overlijden.

De nieuwe adjunctdirecteur wordt van buiten aangetrokken. Jan Hendrik Engelbrecht of Engelbregt staat bij zijn aantreden kort voor zijn dertigste verjaardag en is – uiteraard bijna – militair. Dat is toch de achtergrond die je volgens de Maatschappij moet hebben om met een bedelaarsgesticht om te gaan.

Hebben we alleen nog de vraag hoe de Maatschappij van Weldadigheid naar de buitenwereld toe om gaat met dit oproer. Dat komt morgen in het slot van dit feuilleton.

Het Paasoproerfeuilleton, afl 13
Directeur Jan van Konijnenburg moet altijd rond de 20e van de maand de kopij inleveren voor het Maatschappij-maandblad De Vriend des Vaderlands, want in dat blad vult hij de vaste rubriek ‘Berigten uit de kolonie’. Zo ook 23 mei 1840 en hij neemt dan in zijn tekst een stukje over het paasoproer op:

‘Maakte ik in mijne vorige berigten melding van het goed gedrag der kolonisten, kort daarop ontving ik kennis van eenige wanordelijkheden, welke op den 20e en 21e April in het bedelaars-gesticht te Veenhuizen hadden plaats gehad: Een vijftal kwaadwilligen hadden meer anderen tot onbetamelijke vorderingen, ongehoorzaamheid en verzet opgeruid, dat, aanvankelijk door geen voldoende maatregelen te keer gegaan zijnde, eenige dagen bezorgdheid baarde, maar thans zoo door overplaatsing dier kwaadwilligen naar de Ommerschans, alwaar ze voor hunne bedrijven zullen worden gestraft, als door noodzakelijk bevonden vervanging van eenige ambtenaren, weder is teregt gebragt, zoo dat er voor herhaling van diergelijke voorvallen weinig vrees meer bestaat.’

Maar iemand van de permanente commissie heeft langs deze passage een dikke potloodstreep gezet en daarbij, ook in potlood, geschreven: ‘het aangehaalde niet over te nemen voor de Vriend’.

Ik heb natuurlijk het mei-nummer van de Vriend des Vaderlands (zie ook hier over het blad) er op nagekeken, en inderdaad: de passage staat er niet in.

In andere publicaties van de Maatschappij zul je het ook niet vinden, er is nooit één woord over het paasoproer van 1840 naar buiten gekomen.

Tot dit feuilleton dan.

Slot!