Herindeling derde gesticht Veenhuizen

KolonioloogKolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Het is passen en meten eind 1842. Er wonen rond die tijd in de kolonie Veenhuizen iets meer dan 6.000 mensen. Als ik even de cijfers neem van 1 januari 1843 dan zijn het er 6.073. Daaronder 3.042 bedelaars, dus ongeveer de helft, de meeste - 2.747 stuks - ondergebracht op zalen, de overige 295 wonen in gezinsverband in de woninkjes aan de buitenkant van de gestichten. In die woninkjes verblijven ook 487 personen als leden van arbeidershuisgezinnen en 512 als leden van veteranengezinnen. Op de grote hoeves die verspreid over het terrein staan wonen 75 mensen (er staan op het moment enkele hoeves leeg) en er zijn 294 personen lid van een ambtenarengezin. Verder zijn er 15 mensen die van alles kunnen zijn, omdat ze te boek staan als strafkolonist of als gedetacheerde en tenslotte wonen er 1648 weeskinderen.
Die laatsten zijn in de loop van het jaar 1842 samengebracht in het eerste gesticht en het derde gesticht, dat oorspronkelijk ook wezenetablissement was, is nu helemaal voor bedelaars. Afgezien van enkele tientallen weeskinderen die daar nog enkele jaren blijven wonen omdat ze als arbeiders in de stoomspinnerij werken.
Met over de zesduizend bewoners zit de kolonie bijna op zijn top qua bewonersaantal, er zullen de komende jaren nog zo'n tweehonderd bijkomen, maar voor het moment moet er al geschoven worden om iedereen onderdak te krijgen. In alledrie de gestichten zijn de bovenverdiepingen, die in de begintijd vooral voor opslag werden gebruikt, ingericht als woonzalen. In het derde gesticht is men nog bezig die zolder te ‘beschieten’, dwz met schotten af te scheiden, en af te werken.
Ferry kwam met bijgaande plaatjes (batch 408 scan 528) hoe directeur Jan van Konijnenburg denkt in dat derde gesticht extra ruimte te scheppen. Eerst de benedenverdieping:

Stukje 55 - Plaatje A-beneden

Een schaal staat er niet bij, maar we weten dat het gebouw vier zijden heeft van ongeveer 145 meter lang en dat het ongeveer tien meter breed is. In tegenstelling tot wat gebruikelijk is, is de bovenkant van deze tekening het oosten. Onderaan is de hoofdpoort en die is gericht naar het westen, naar de zogenaamde ‘Zesde Wijk’, die de uiterste westgrens van de kolonie vormt. Rond die poort zijn ook de ‘Ambtenaarswoningen’. Aan de ene kant daarvan de school, aan de andere kant het magazijn. Aan de andere drie zijden van het gebouw zijn aan de buitenkant wat hier genoemd wordt de ‘buitenwoningen’, oftewel de luxe appartementen (4.20 bij 4.70 meter) voor de gezinnen van arbeiders, veteranen en bedelaars.
Aan de binnenkant zijn de zalen, genummerd 1 tot en met 12. Links zijn de vrouwenzalen, rechts de mannenzalen. Het probleem zit hem vooral in de huisvesting van mannen, bij de vrouwen zijn november 1842 nog wel zo’n 60 plaatsen vrij. Naast zaal 7 is het katoenmagazijn, wat een heel logische plek is, want de stoomspinnerij ligt kort achter de achterpoort. Van Konijnenburg stelt voor om die zaal, ‘waarin in dit oogenblik slecht eenige weinige balen geborgen zijn, die wel in de fabrijk zelve zullen kunnen geplaatst worden’, als woonzaal in gebruik te nemen. ‘Mogt dan weldra, – gelijk te wenschen is, – de wintervoorraad katoen aankomen, dan zou dezelve in de oude ziekenzaal (N5) waarin de planken vloer hiertoe bijzonder dienstig is, kunnen geborgen worden.’
Naast zaal 6 is een hokje dat ik echt niet kan lezen (iemand suggesties?) plus de woning annex winkel van de winkelier. Zaal 5 is de ‘tegenwoordige ziekenzaal’, maar dat gaat veranderen, die gaat naar de bovenverdieping, zie het volgende plaatje.

Stukje 55 - Plaatje B-boven

De bovenverdieping. Er komen dus twee nieuwe ziekenzalen, allebei met een afgescheiden gedeelte ‘voor scabieusen', voor mensen met schurft. Verder zie je de fabriek of ‘fabrijk’, waar de bewoners spinnen, weven, naaien en breien, met een magazijn erbij. Het kledingmagazijn ligt boven het gewone magazijn, maar beslaat de hele breedte (dus 10 meter) van het gebouw. Verder de timmerzolder en de korenzolder. Plus de in aanbouw zijnde zalen 13, 14 en 15, waarbij 15 een heel lange is. Tussen de zalen 14 en 15 wil Van Konijnenburg een nieuwe zaalopzienerswoning maken. Al met al zou door deze ingrepen het aantal zaalopzieners met 1 toenemen van zes naar zeven. Van Konijnenburg heeft alvast een ‘verdeeling onder de zaalopzieners’ gemaakt:

Stukje 55 - Plaatje C-zaalopzieners

Het volledig benutten van de woninkjes aan de buitenkant van het gebouw is simpeler. Onder de arbeidershuisgezinnen en de veteranengezinnen zijn er een aantal waar een van de ouders overleden is. De overgebleven weduwen en weduwnaars worden gewoon twee aan twee met hun kinderen bij elkaar in huis geduwd. Hoppa. Hadden ze maar geen weduwnaar of weduwe moeten worden.