Lohuis!

KolonioloogKolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Ik kom nog een keertje terug op de oudedagsvoorziening (zie ook hier) en dat zal ik wel vaker doen, want dat vind ik toch een boeiend onderwerp. Onder andere omdat ikzelf - bij leven en welzijn - komend oktober voor het eerst aow krijg. Dat werkt bij mij als een extra prikkel om stil te staan bij het feit dat je in de negentiende eeuw moest blijven werken tot je er bij neer viel.
Zoals ook Hendrik ter Lohuyzen. Volgens het inschrijfregister van de Ommerschans geboren op 19 januari 1782 te Amsterdam en in 1847 - als dit verhaal speelt - dus 65 jaar oud. Wat vanaf halverwege de 20e eeuw tot een jaartje terug, de leeftijd was dat je onderuit kon gaan zitten. Hendrik is 1.64 meter lang, heeft een ‘ovaal aangezigt, grijs haar, blaauwe ogen en een ingevallen mond’ (dat laatste betekent waarschijnlijk dat hij geen tanden meer heeft). In 1847 zit hij zijn tweede opname in het bedelaarsgesticht uit, hij is in april 1843 vanuit Amsterdam binnengebracht en verwacht april 1847 te worden ontslagen. En dan ziet de toekomst er niet slecht uit, want er ligt een brief van een sympathieke werkgever uit Amsterdam.
Die laatste tekent als ‘J.W. van Ep Bonte En Zoon’. Voorzover ik uit advertenties kan opmaken, is dat een handelshuis dat van alles en nog wat verkoopt. Ze hebben in ieder geval een magazijn. Daar werkte eerst, schrijft J.W. van Ep Bonte in een brief gedateerd 3 januari 1847, ‘mijn cnegt Willem’, maar nu die ‘van stadsweege een hooger post heeft bekoomen’, is de functie vacant. ‘Zo heb ik en mijn gehuwde zoon, een aanvraag voor u gedaan, bij mijn compajons en ook dadelijk hunne toestemming bekoomen om u als pakhuijs cnegt te mooge aan stelle.’
Hendrik ter Lohuyzen wordt in de brief aangesproken als ‘Lohuis’ en duidelijk wordt dat de twee elkaar al heel lang kennen. De briefschrijver meldt dat de compagnons makkelijk toestemming gaven omdat ‘gij hun ook verschyde jaare eerlyk en trou hebt bediend als kruijer en daar zy ook van overtuijgd zijn dat gij een standvastig en eerlijk carakter besit’. De relaties zijn ook persoonlijk want de vrouw van J.W. van Ep Bonte ‘is zeer over u aan gedaan en mijn kinder vraage mijn alledaagse na u, vader wanneer komt Lohuis?’ Geen wonder, aldus de briefschrijver, ‘daar gij 23 jaar het meeste in mijn huijs heeft verkeerd’.
Er is ook contact tussen de briefschrijver en de familieleden van Hendrik. ‘Ik melde u ook Lohuis dat u kindere nog gesond zijn maar u dochter doet niet anders als traane storten om u.’ Omdat er alleen sprake is van kinderen en niet van een echtgenote, zal Hendrik weduwnaar zijn. De betrekking als pakhuisknecht is vrij per 1 april, maar tot Hendrik weer in Amsterdam is, zal een zoon van Van Ep Bonte de post waarnemen.

Stukje 53 - LohuisILLUSTRATIE
Opvallend is het handschrift van de werkgever. Bijna on-negentiende eeuws, dichter bij blokletters heb ik het nog niet gezien. Gevolg is wel, zoals altijd als iemand blokletterachtig schrijft, dat bijna elk woord met een hoofdletter lijkt te beginnen. Dat heb ik hier niet overgenomen, want dan wordt het onleesbaar.
Voor de zakelijke regeling is er een ‘bij gevoegde gedrukte aanstelling’. Die moet Lohuis ondertekenen en meteen terugsturen. Dat zal hij gedaan hebben, maar de brief zelf heeft hij aan de adjunctdirecteur gegeven. Die stuurt hem met een positief ontslag-advies naar de permanente commissie. Op 10 april 1847 wordt Hendrik ter Lohuizen ontslagen.
Zijn thuiskomst zal een verrassing zijn voor de familie: ‘Lohuis ik moet u ook melde dat ik u dogter hier niets van heb gezegt.’ De vrijlating zou wel eens vertraging kunnen oplopen of uitgesteld worden en ‘dan kon u kindere, daar een ziekte ja de doot kon daar op volge’. Dat wil J.W. van Ep Bonte niet op zijn geweten hebben. ‘Zij zulle het wel zien als gy komt dan is het immers beeter.’

Met dank aan Abdulwadud,