Oudedagsvoorziening

KolonioloogKolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

De ingekomen post van de Maatschappij geeft mij regelmatig aanleiding om te mijmeren over het verschijnsel 'oudedagsvoorziening'. Of beter: over het NIET bestaan van oudedagsvoorzieningen in de tijd die we aan het indexeren zijn.

We vinden het zo gewoon dat iemand op een gegeven leeftijd niet meer zelf de kost hoeft te verdienen, dat we dreigen te vergeten hoe nieuw dat is. In de negentiende eeuw maakte het niet uit of je de 65 of de 70 of de 75 gepasseerd was, je moest toch elke dag met arbeid in je levensonderhoud voorzien.

Neem Hendrik Steenbeek. Hij is in 1832 ondanks zijn 60-jarige leeftijd aangesteld als onderdirecteur der fabriekmatigen arbeid op de Ommerschans. Na vijf jaar krijgt hij lichter werk, Hendrik en zijn vrouw Elisabeth gaan de winkel in het derde gesticht te Veenhuizen drijven (op de Ommerschans wordt hij eerst opgevolgd door zijn zoon Gerrit, maar die is inmiddels onderdirecteur van de stoomspinnerij, en daarna door zijn zoon Jan).

Dan is het augustus 1847. Hendrik is vijftien jaar in dienst bij de Maatschappij en zou dolgraag nog langer doorgaan, maar 'mijnen bijna 76 jarigen ouderdom heeft mijne ligchaamskrachten zoodanig verzwakt, dat ik niet dan met de grootste inspanning het ligste dagelijksche werk meer kan verrigten'.

Het van hem overnemen lukt ook niet meer. 'Reeds sedert lang heeft mijne vrouw het zwaarste voor mij afgedaan, doch ook die, hoewel slechts 68 jaren tellende en vast besloten om tot het uiterste toe voltehouden, gevoelt, in weerwil daarvan, maar al te zeer, dat haren goeden wil alleen niet genoeg is en dat zij niet meer zoo veel werk kan doen als vereischt wordt tot eene goede winkel bediening.'

Hij vraagt dus ontslag, liefst vóór de winter. Maar hij vraagt daarbij ook of dat ontslag zou kunnen worden verleend 'onder toekenning van eene wekelijksche toelage, voor de welligt weinige jaren levens die mij nog zullen geschonken worden'.

Ja kom nou! Waar moet dat geld vandaan komen? Je kunt toch niet iemand gaan betalen die niet werkt!?! En vooral de Maatschappij van Weldadigheid niet, waarvan we allemaal weten dat ze voortdurend in financiële nood zit.

Directeur van Konijnenburg heeft wel begrip voor het verzoek van Steenbeek en hoopt het op te lossen door een gezin te vinden dat de betrekking van winkelhouder bij Veenhuizen-3 'aanvankelijk tegen eene mindere belooning' zou willen waarnemen. De twee à drie gulden per week die op hun loon gekort wordt zou dan aan Steenbeek en zijn vrouw gegeven kunnen worden.

Dat is natuurlijk linke zaak. Kunnen die nieuwe winkelhouders dan wel rondkomen? En wat voor onrust geeft dan de ongelijkheid tussen de winkelhouders in de verschillende gestichten? En straks komt iedereen om een toelage vragen, bijvoorbeeld ook de echtgenotes van overleden zaalopzieners?

Hoe loopt dit af? Krijgt Hendrik Steenbeek een deel van het loon van de nieuwe winkelhouder? Ik weet het niet, ik heb deze dagen even geen tijd om naar het Drents Archief te gaan en te kijken bij inventarisnummer 596, waar volgens het opschrift op de brief op 31 augustus 1847 onder agendapunt 9 de beslissing van de permanente commissie moet zitten. Dus tot ik dat heb gedaan kunnen we vrijuit speculeren en filosoferen over de oudedagsvoorziening van Hendrik Steenbeek. Of zullen we er een quiz-vraagje van maken? Wie denkt dat Hendrik een toelage krijgt?