Brand!!

KolonioloogKolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Na een stukje over 'Moord!!' (de opmerking eronder van Theo is terecht, de titel deugt niet helemaal, 'doodslag' zou de inhoud beter gedekt hebben) moet de uitdrukking Moord en Brand natuurlijk afgemaakt worden. Bij deze.

De Maatschappij van Weldadigheid doet ook aan 'houtpoting', oftewel houtteelt. Elk jaarverslag wordt verslag gedaan van bijvoorbeeld het 'aankweeken van eenjarige- of pluk-els in de kweekerij' en het daarna overbrengen van die bomen op wallen en heggen, het af en toe 'planten van eiken-telgen langs de wegen' en het aanleggen van bosjes. Hout wordt gebruikt voor de stelen van gereedschappen, voor 'twijg-, erwten-, rijs- en boonenstokken', als 'gekloofd brandhout', als stookmateriaal voor de broodbakkerij, en van wat men noemt 'weekhout, de els en berk namelijk' worden vooral takkenbossen gemaakt.

In dat kader heeft ook het Instituut voor Landbouwkundige Opvoeding te Wateren stukjes land bepoot met dennen, eiken, berken en elsen. De Instituteur, Jan Hessels van Wolda, heeft voorjaar 1839 extra werk gemaakt van de houtteelt, 'meer dan 42000 flinke boompjes en boomen, van onderscheidene soorten, zijn bij het gesticht geplant'. En wat gebeurt er dan...

Twee 'kweekelingen', leerlingen van het Instituut, gaan zondag 12 mei 1839 niet met de rest mee naar de kerk in Vledder. Johannes van der Laan, achttien jaar, afkomstig uit Haarlem, in april 1836 aangekomen in het 1ste gesticht te Veenhuizen, het etablissement voor 'weezen, vondelingen en verlatene kinderen', en in december van dat jaar naar Wateren overgegaan, mist de kerkgang 'wijl zijne schoenen in de maak waren'. En Jan Pijper, ook achttien jaar, afkomstig uit Groningen, in december 1835 in de vrije koloniën gekomen en bij verschillende koloniale gezinnen ingedeeld voor hij naar Wateren ging, heeft van de onderdirecteur opdracht gekregen een aantal schapen te verweiden.

Als Jan Pijper daar mee klaar is, voegt Johannes van der Laan zich bij hem. 'Zij gaan gezamenlijk wat lezen, wat praten, en eindelijk komen ze op het denkbeeld, om eenige der pootaardappelen, daar digt bij in eenen sloot liggende, die ’s daags te voren overgebleven, en maandag verpoot zouden worden, te braden en op te eten.'

Om niet gezien te worden, gaan de jongens daarvoor in een droge sloot zitten. Ze verzamelen wat jong dennehout en vuur halen ze uit een brandend veen. 'Zoo gezegd, zoo gedaan,' verhaalt Jan Hessels van Wolda.

'Doch,' vervolgt hij, 'eer nog één aardappel gebruikt is, vat de lange heide, aan weerskanten van den sloot staande, vuur'. Er staat een stevige wind en ze krijgen de brand niet geblust. 'Nu in grooten angst zijnde, gaan ze ongelukkig niet mij roepen, maar nemen de vlugt.'

Pas na een tijdje krijgt Jan Hessels te horen dat er brand is. 'Al wat leeft, snelt oogenblikkelijk, met schoppen voorzien, te hulp.' Maar er is geen water voorhanden en met alleen zand lukt het niet de vlammen te doven. Gelukkig komt al na korte tijd de voltallige bezetting van de school terug van de kerk en dan is er voldoende mankracht. 'En nu wordt het vuur geheel met menschen bezet, en ieder bluscht voor zich het vuur, door het slaan met de schop op den grond.'

Al met al heeft de brand niet meer dan een uur geduurd, maar de schade aan de dennebomen, sommige al acht jaren oud en 'eene mans lengte bereikt', is groot. 'Deze zijn alleenlijk onder aan den stam beschadigd, doch ik vrees dat er vele van uitgaan zullen.' En er klink een lichte snik in zijn verslag als hij schrijft: 'Hoe mij dit vooral spijt, kan ik ook niet beschrijven.'

Rest nog de vraag wat er met Jan Pijper en Johannes van der Laan moet gebeuren. 'Ofschoon beide innig berouw hebben van het gebeurde, zal het, ook ten voorbeelde van anderen, noodzakelijk zijn, dat hun meer dan de gewone bestraffing worde opgelegd.' Jan Hessels van Wolda laat dat verder aan de permanente commissie over, zelf komt hij met plannen voor het herstel. Levende bomen wegnemen en elders planten, dood hout rooien, stukken 'met het voorhanden dennezaad wederom  bezaaijen' en nu de gelegenheid er toch is 'over die stukken eenen doelmatigen en regten weg te leggen'.

De permanente commissie besluit de twee jongens voor straf van het Instituut af te halen en weer in hun vorige situatie te plaatsen. Dus Johannes van der Laan gaat terug naar Veenhuizen-1. Daarvandaan vertrekt hij op de gebruikelijke leeftijd van 20 jaar: 'v d Laan ontslagen 7 April 1841'.

Jan Pijper komt weer in Willemsoord en wordt ondergebracht op hoeve 62 bij de kolonist Jan Daniel Adee. Niet voor lang, als hij een jaar later met verlof in Groningen is, besluit hij daar te blijven en keert hij niet meer terug.

Met dank aan Abdulwadud.