Kolonist Johannes Lambertus Jansen

KolonioloogKolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Johannes Lambertus Jansen komt oorspronkelijk uit het plaatsje Uikhoven in Belgisch Limburg. Over de eerste zevenentwintig jaar van zijn leven is (nog) niets bekend, maar in 1809 bevindt hij zich te Deventer. Hij trouwt daar met de tien jaar jongere Margaretha Ehrlich, een sergeantsdochter. Het echtpaar zal dertien kinderen krijgen, waarvan er acht in leven blijven, wat iets boven het landelijk gemiddelde is.

Als Margaretha's vader, die bij hen inwoont op het adres Enge(l)straat 1044, overleden is, verlaten ze Deventer en vestigen ze zich in Rotterdam. De subcommissie van weldadigheid van die stad draagt hen in 1822 voor als kolonisten in de vrije koloniën. In de aanbeveling meldt Rotterdam dat Johannes Lambertus is 'opgebracht in de landbouw' en het beroep van timmerman uitoefent. De voordracht wordt geaccepteerd en 20 maart 1822 komen ze aan, met drie kinderen en een ingedeelde jongeman. Zie de aankomststaat (Drents Archief, toegang 0186, invnr 1370).

Stukje 43 - JohL JansenPLAATJE1
(aankomst 20-03-1822, invnr 1370)

Volgens die staat betrekken ze hoeve nummer 15 in kolonie 6. Dat is het gebied ten noorden van Willemsoord op de grens van Overijssel en Friesland, ook wel Willemsoord-Steggerda genoemd, en het betekent dat Johannes Lambertus en zijn gezinsleden de eerste bewoners van dat huisje zijn, want kolonie 6 is dan nog maar net gebouwd. Medio 1825 wordt dit gebied administratief samengevoegd met kolonie 3, Willemsoord, en dan krijgt het huisje het nummer 138. Op de site koloniehuizen valt te zien dat de hoeve - die inmiddels niet meer bestaat - lag op wat tegenwoordig heet de Amsterdamselaan.

Familie-onderzoekers die het koloniale archief hebben onderzocht, kunnen met mij getuigen: hoe stouter een familie is, des te meer is er over hen te vinden. Maar als je de wijkmeester niet slaat of de buurvrouw niet bespringt, komt je veel minder vaak in de stukken voor. Johannes Lambertus was blijkbaar braaf, het soort kolonist dat de directie graag ziet: hard werken, niet klagen en dankbaarheid tonen voor de nieuwe kans in het leven die je hier geboden wordt,

Het zal ook niet voor niets zijn dat hij in 1831 wordt benoemd tot 'gemeensman' voor Willemsoord. In die functie maakt hij samen met de onderdirecteur, twee wijkmeesters en de boekhouder deel uit van de 'Raad van Toezigt' voor die kolonie. Zie de ondertekening van een verbaal van die raad dd 28 mei 1831, met de onderdirecteur Bartolomeus Schurer, de wijkmeesters Jacobus de Nekker en Christiaan Koppe, de ietwat wankele handtekening van Johannes Lambertus en de boekhouder Dirk Schuurman (Drents Archief, toegang 0186, invnr 1615).

Stukje 43 - JohL JansenPLAATJE2
(Raad van Toezigt bij zitting 28-05-1831, invnr 1615)

Die raad van Toezigt doet geen uitspraken, maar bereidt de zittingen voor van de 'Raad van Policie voor de gewone koloniën'. Daar zit Johannes Lambertus Jansen ook in, evenals de gemeensmannen van Frederiksoord en Wilhelminaoord en uit het stemgedrag bij die zittingen kunnen we proberen af te leiden hoe Johannes Lambertus denkt over het koloniale leven.

Hij is het in ieder geval, blijkt uit de eerste zitting van 1831, met iedereen eens dat een ongehuwd zwangere kolonistendochter en haar vriend naar de strafkolonie op de Ommerschans moeten, ondanks de verklaring van de twee 'voornemens te zijn, zoo spoedig mogelijk, een wettig huwelijk met elkanderen aan te gaan'. De raad besluit unaniem tot verbanning naar de strafkolonie, onzedelijk gedrag mag gewoon niet.

Ook unaniem is de vrijspraak bij gebrek aan bewijs voor een groepje jongens die 'op eene moedwillige wijze, eenig plantsoen zouden hebben beschadigd'. Weglopers van de kolonie moeten altijd met strafkolonie worden bestraft, luidt het reglement en meestal gebeurt dat dan ook, maar op de zitting van 7 april 1831 heeft men het er moeiljk mee. Het gaat om kolonistenvrouw Kinkelaar, die 'al meermalen is te zoek geweest' en nu zonder verlof was weggegaan om afscheid te nemen van haar broer die met de schutterij zou vertrekken. Omdat het gezin Kinkelaar 'zich overigens wel gedraagt, en zich vooral door de veel beloovende kinderen gunstig onderscheidt' zouden de raadsleden 'anders zoo gaarne' van het reglement afwijken. Maar dat kan niet...

Een van de volgende keren doen ze het toch. Dan gaat het om drie jongens van rond de veertien jaar die hun familie in Bergen op Zoom wel eens wilden bezoeken en tot weglopen waren 'verleid geworden door de mede weggeloopen bestedeling Cornelia van Zuilen, van 's Gravenhage, die nog maar acht dagen in de kolonien, zeer te onvreden was en hun beloofd had, te Amstrd. aangekomen zijnde, hun van reisgeld, dat zij daar van hare bloedverwanten zou kunnen bekomen, te zullen voorzien'. Te Amsterdam was Cornelia er echter stilletjes vandoor gegaan, waarna de jongens 'aan een Policie Agent herberging en weder opzending verzocht hebben'. Die jongens hoeven niet naar de strafkolonie en hetzelfde geldt voor drie mensen die nog maar net op de kolonie zijn en aan wie 'het Reglement van tucht niet bekend gemaakt was', zodat ze niet konden weten dat ze niet mochten weglopen.

Die soepelheid is er niet bij de diverse zittingen met ongehuwde zwangerschappen. Dan wordt er altijd 'met eenparigheid van stemmen' tot verbanning besloten. En als de hiervoor genoemde mensen die het reglement niet kenden voor een tweede keer weglopen, vliegen ze ook naar de strafkolonie. Bij één gelegenheid willen twee leden van de raad (er wordt niet gezegd welke) clementie omdat een jonge vrouw was weggelopen om 'haar kind, hetwelk in het Weeshuis te Leiden uitbesteed is, te hebben willen gaan zien'. En bij een ander geval wil één lid (weer wordt niet gezegd welk) een wegloopster 'wier jonkheid tot de begane misstap aanleiding gegeven kan hebben' niet straffen. Verder gaat alles unaniem, ook de zaken, dat zijn er vrij veel dit jaar, die worden afgedaan met een 'ernstige vermaaning'.

Is dit de enige manier waarop Johannes Lambertus met de tuchtraad te maken heeft gehad, sommige van zijn kinderen komen wel eens aan de andere kant van de rechtspraak terecht. Zoon Paulus zou in 1839 betrokken zijn bij baldadigheid in de fabriek van kolonie 3. Maar bij de behandeling ervan geeft 'P. Jansen te kennen dat de fabrijksbaas van Galen zoude kunnen verklaren dat hij onschuldig was' en komt hij er zonder straf van af. Dat is wel grappig want die uit Monnickendam afkomstige Van Galen wordt zijn schoonvader. Juni 1843 moet Paulus voorkomen omdat Geertje van Galen zwanger van hem is, ze zijn zo slim de zitting niet af te wachten en voor die tijd samen van de kolonie te deserteren.

Eerder, in 1841, had hij zich samen met zijn broer Pieter schuldig gemaakt aan 'het steeken en wegvoeren van plaggen, zonder daartoe verlof te hebben bekomen van de eigenaren'. Bij die gelegenheid waren ze door een politieagent uit Blesdijke betrapt. Maar dat wordt ze allemaal niet te zwaar aangerekend, het blijft in de ogen van de directie een gezin waarvan 'er bij hetzelve niets nadeeligst te zeggen valt'.

In 1842 overlijdt Johannes Lambertus Jansen, kort na zijn zestigste verjaardag. Twee jaar later volgt echtgenote Margaretha Ehrlig hem in het graf. Van de kinderen zijn er de nodige die zich, net als de genoemde Paulus, richten op de koloniale huwelijksmarkt. Ook Pieter trouwt een kolonistendochter, de uit Amsterdam afkomstige Catharina Venker.

Twee blijven op die manier nog een tijdje in de kolonie. Anna Maria Janssen trouwt met een kolonistenzoon uit Oudenbosch, Antonius Hertog, die de hoeve van zijn vader overneemt, zodat Anna Maria kolonistenvrouw wordt. En Arnoldus Janssen trouwt een kolonistendochter, Aaltje Brands uit Groningen, en hij wordt zelf kolonist, hij neemt de hoeve van de Janssens een aantal jaren over. Het duurt tot 1875 eer de laatste nakomeling van Johannes Lambertus Janssen van de kolonie is verdwenen.

--

Dit verhaaltje over J. L. Janssen is tot stand gekomen in samenwerking met zijn nazaten Ina Hoogenbosch-Glas, Wim Kortekaas en Joke Janssen, die onderzoek doen naar de familie-geschiedenis. Wij dragen dit stukje op aan Marieke Janssen, de gangmaakster van dat onderzoek, die helaas verleden jaar plotseling is overleden.