Volstrekte weerzin van elkanderen

KolonioloogKolonioloog' Wil Schackmann deelt verhalen, anekdotes en wetenswaardigheden met u 
over de Koloniën van Weldadigheid. Aanleiding is het project 'Post van Weldadigheid', een 
crowdsourcingproject waarbij de brieven van de Maatschappij van Weldadigheid 
doorzoekbaar worden gemaakt. 

Meedoen? Kijk op de website VeleHanden.

 

Als je een tijdje met de post bezig bent, dan beginnen je bij mensen dingen op te vallen. Zo valt me bij Jannes Poelman op dat hij opvallend vaak ruzie heeft. Hij is vanaf het begin van de kolonie Veenhuizen tot zijn dood in 1845 adjunctdirecteur van het eerste gesticht aldaar, in het vervolg Veenhuizen-1. Als adjunctdirecteur is hij de hoogste baas en heeft hij onder zich twee onderdirecteuren, eentje is de onderdirecteur-buiten die gaat over de landbouw en de ander is de onderdirecteur-binnen die de zaken binnen het gesticht regelt.

In 1823, als het eerste gesticht net gebouwd is en er nog geen bewoners zijn, is er al mot tussen Poelman en de eerste onderdirecteur-buiten, die Vogelenzang heet. Het is niet duidelijk te krijgen wie er begonnen is en wat er precies speelt, maar de heren hebben het november 1823 helemaal met elkaar gehad en verlangen dat er iets geregeld wordt 'waardoor zij buiten aanraking van elkander worden gestelt'. De onderdirecteur is zelfs bereid om bij overplaatsing naar een andere kolonie een drastische loonsverlaging te accepteren, 'liever dan onder de onmiddellijke directie van den Heer Poelman te dienen'.

Zo gaat het wel vaker tussen Poelman en andere employées van de Maatschappij. In 1829 bijvoorbeeld vliegt hij schriftelijk de adjunctdirecteur voor de administratie aan. Die had bij de controle van Poelmans boekhouding een paar verkeerde opmerkingen gemaakt. Poelman noemt het 'grove en beledigende uitdrukkingen' en weigert pertinent de man nog inzage in zijn boeken te geven. Ook niet als de directeur het zegt. Bij welke gelegenheid de toenmalige directeur Wouter Visser constateert dat de adjunctdirecteur 'alle ondergeschiktheid ten mijnen aanzien uit het oog verliest'.

De permanente commissie moet ingrijpen. Ze stuurt Poelman - 'met allen ernst' – een beleefde schrobbering, wijst hem er op dat de adjunctdirecteur voor de administratie ook zijn werk moet kunnen doen en verlangt dat hij daaraan mee werkt. Wat Jannes Poelman daarna, zachtjes namopperend, ook doet. 'Ik zal mij bij dezen gelegenheid onthouden,' verzucht directeur Visser, 'van aanmerkingen omtrent het karakter en de doorgaande handelwijze van de Heer Poelman'.

Nu heb ik brieven uit dit project uit 1836 - veel dank weer voor de tips - over Poelman en een sinds een jaar bij hem werkende onderdirecteur-binnen. Het botert niet. Poelman klaagt 'over de ruwheid en de brutaliteit' van de man, die inderdaad ook volgens anderen een reputatie heeft 'van hard jegens de kinderen en kolonisten te wezen'. De onderdirecteur zegt dat Poelman hem behandelt als 'een gering bediende', wiens mening van geen belang is en 'die slechts bloot uitvoerder is' van de wil van de adjunct. Hij roddelt dat hij in de fabriek laatst meisjes trof die naaiwerk deden voor particulieren, 'op last van den Heer Poelman of diens dochter', en dat er 'eene menigte kolonisten dagelijks in zijne bijzondere dienst is'.

Maar waar het ook van komt en wat er van alles ook waar is, het is onhoudbaar. De twee hebben inmiddels een 'volstrekte weerzin van elkanderen' en de voortgang van zaken in het eerste gesticht wordt zo gehinderd dat de heren 'niet wel langer bij elkander kunnen worden gelaten'. De onderdirecteur wordt overgeplaatst, maar niet voordat er 'zulke hevige botsingen en onlusten' plaatsvinden dat bij de twee zelfs 'alle burgerlijke beleefdheid jegens elkander heeft opgehouden te bestaan'.

Tezelfdertijd ligt ook een zaalopziener met Poelman in conflict. Hij constateert dat de zaalopzieners door Poelman behandeld worden 'als uitvaagsel van het menschdom'. Ze worden door de adjunct niet toegesproken maar 'toe en af gegraauwd' en dat gaat niet alleen 'op de lompste en grofste wijze gepaard met bedreiging', maar ook nog eens 'ten aanhoren der wezen waarover zij gesteld zijn'. Hij meldt dat dit gedrag al heel lang 'aan allen verdrietelijke gewaarwordingen heeft veroorzaakt'.

Overigens is die zaalopziener een bekende voor diversen van ons, het is de voormalige apotheker van Veenhuizen, Johannes Adrianus Steenmeijer. Hij was niet meer te handhaven in de apotheek na diverse klachten van artsen over 'belangrijke onoplettenheden', verkeerd toebereide medicijnen, 'abuizen in de namen' en in minimaal één geval heeft hij in het eerste gesticht een medicijn afgeleverd 'het welk zonder de dadelijk aangebragte hulp met den dood des lijders zoude geëindigd zijn'. Toen was hij van apotheek tot zaalopziener gedegradeerd, maar hij had het gevoel dat hij 'op een schurkachtige wijze was behandeld geworden' en over die degradatie meldt hij - heel mooi geformuleerd - dat die kwestie 'hem nog geweldig in de krop zat'. Het gedoe met Poelman is de druppel waardoor hij 'met zijne vrouw en kinderen heeft besloten zich liever naar de gewone samenleving te begeven'.

Dan is er nog een bedelaarskolonist die heel veel over hem te klagen heeft - al noemt hij hem consequent 'Poeleman' - maar die bewaar ik tot volgende week als ik enkele opmerkelijke bedelaars wil doen.

Als eerder gezegd overlijdt Jannes Poelman in 1845 dus er is grote kans dat we in de brieven nog wat ruzies tegen gaan komen.