De dwarsligger van Jacob Mollevanger

De regenten van het Aalmoezeniershuis te Alkmaar sluiten december 1819 een contract met de Maatschappij van Weldadigheid voor de plaatsing in de kolonie van zes weeskinderen à zestig gulden per kind per jaar. Daarvoor mogen ze gratis bijvoegen twee huisverzorgers voor die kinderen en twee gezinnen, ook gratis. Alkmaar beschikt dus over drie koloniale hoeves. Zomer 1820 komt het spul aan en wordt gehuisvest in wat dan heet Frederiksoord-2, de uitbreiding van de proefkolonie.

 

 

 

 

Daaronder Jacob Mollevanger, dertig jaar oud, zoon van een broodbakker, sinds 1813 getrouwd met de onderwijzersdochter Neeltje Boendermaker, vier jaartjes ouder en weduwe van ene Looijers. Ze hebben een dochter uit Neeltjes eerdere huwelijk bij zich en vier eigen kinderen.

Jacob Mollevanger woont er een jaar als hij volgens de directie op geheel eigen wijze nieuwaangekomen kolonisten voorlicht: ‘Waarvoor zullen wij zoo veel werk doen? Men bekomt daar voor slegts 13 stuivers daags. Dit is te veel om te sterven en te weinig om te leven. Zoo maakt men het hier altijd met ons en nu gaat het ons goed, maar wagt eens tot de winter komt. Dan lijden wij hier gebreken.’

Volgens de boze Johannes van den Bosch spreekt Mollevanger op dezelfde manier met Alkmaarse regenten die eens komen kijken hoe het hun pupillen op de kolonie vergaat. De andere kolonisten uit Alkmaar 'hadden hun de kolonie hoog gevoerd. Mollevanger daar en tegen dezelve als een poel van ellende afgeschildert.' Johannes wil maatregelen nemen: 'Reeds heb ik een paar leden van de subkommissie van Alkmaar geinformeerd dat wij zouden eindigen met zulk een onvergenoegde schepsels weg te jagen.'

Maar bij nader inzien bedenkt hij zich. 'Ik verbeeld mij dat de zekerheid van niet weggestuurd te   zullen worden de geheele grond van zijn gedrag oplevert.' En daarom wil hij het houden bij louter dreigen. 'Misschien zelfs kiest Mollevanger zelf eijeren voor zijn geld en bid van te blijven. Dit zal dan het beste bewijs zijn van de onwaarheid van zijne gezegdens.' Johannes van den Bosch krijgt gelijk, na een dreigend gesprek blijven Jacob Mollevanger en echtgenote Neeltje toch maar liever op de kolonie.

 

Daarna blijft het lang rustig rond het gezin dat er nog drie kinderen bijkrijgt, waarvan er echter twee jong overlijden. Er schijnt een akkefietje te zijn geweest in 1835 maar dat heb ik niet kunnen vinden. (Ik schrijf dit stuk natuurlijk te vroeg; als de post eenmaal geïndexeerd is typ ik 'Mollevanger' en de spellingsvariaties in en dan krijg ik al zijn wederwaardigheden.)

 

Eind 1838 loopt het helemaal fout. Elk koloniaal gezin heeft een of meer ingedeelden in huis en daar heeft Jacob geen zin meer in. Zaterdag 22 december gaat hij er toe over om 'zonder goedkeuring der Directeur zich van zijn ingedeelde Hendrik van Elst te ontdoen en dezelve wegtezenden'.

Ze vallen inmiddels onder kolonie 2, Wilhelminaoord, en de onderdirecteur daarvan gaat samen met een wijkmeester meteen naar Mollevanger toe, 'hebben beiden tot antwoord van voorn: kolonist gekregen, dat hij nimmer zoude gedogen dat de Directie hem een ingedeelde opdragen zoude, waar voor hij zijn leven over had'. Als er aangedrongen wordt, meldt hij 'dat hij ophield langer conversatie met de Directie te hebben en zijn woorden die hij gezegd had vol hield'.

Zo makkelijk gaat dat natuurlijk niet. Jacob Mollevanger moet verschijnen voor de eerstvolgende 'Raad van Politie en Tucht in de gewone koloniën' en die is op 19 januari 1839 (Drents Archief, toegang 0186, invnr 1616). 'De beschuldigde binnengeroepen zijnde, erkent hij het tegen hem ingebragte, en blijft volharden in de weigering van eene ingedeelde bij hem te zullen gedogen.' Waarop de Raad besluit 'Jacob Mollevanger de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer, en opnieuw eene poging te doen, tot het indeelen  van eene wees bij hem, zijnde het huisgezin daarvoor zeer geschikt'.

Maar dan moet dat vonnis nog tot uitvoer gebracht worden. Dat probeert de onderdirecteur van Wilhelminaoord, Anne Hendriks Idserda, samen met de wijkmeester Albert Bouke Krol met het hier beschreven resultaat.

Wat Mollevanger daar zegt over het ongelukkig maken van zijn vrouw en kinderen zal doelen op het tegen hun zin indelen van een wees bij het gezin.

Blijkbaar wordt er later alsnog geweld gebruikt, want op 19 februari komt Jacob Mollevanger aan in de strafkolonie op de Ommerschans (Drents Archief, toegang 0186, invnr 1585 folio 6). Maar inmiddels heeft het gezin ook aan het thuisfront te Alkmaar laten weten dat ze het helemaal gehad hebben met die kolonie en dat ze terug willen. Dat lijkt Alkmaar eigenlijk ook verstandiger en het gevoel is wederzijds bij de kolonieleiding, want daar heeft men het niet op mondige kolonisten.

 

Op 18 mei 1839 wordt het gezin uit de kolonie ontslagen en gaan ze terug naar Alkmaar.