Liefde in het bedelaarsgesticht, deel 1

Toen De bedelaarskolonie klaar was en goed en wel in de boekhandel lag, ging ik mijn bureau opruimen. Een beetje ouderwetse uitdrukking, want waar het op neer kwam was dat ik de tekstfiles die in de paniek van het afschrijven een rommeltje geworden waren opschoonde, en ging kijken wat van de in de loop der jaren verzamelde bedelaarsgegevens op de bij het boek behorende site geplaatst kon worden.

En tijdens dat opschonen en invoeren viel mij iets op dat ik niet eerder had gezien: de potentie van het bedelaarsgesticht als huwelijksmarkt.

Dating-sites bestonden nog niet. De kansarmen en kanslozen, voor wie geen plaats was in de gewone maatschappij en die daarom 'bedelaars' genoemd werden, kwamen elkaar steeds tegen op de Ommerschans of in het tweede gesticht in Veenhuizen en daaruit ontstonden relaties. Ik kwam bij het opschonen een heleboel huwelijken tegen van mensen die elkaar in het bedelaarsgesticht zullen hebben leren kennen. 

Ik vind dat wel mooi, het geeft een wat fleuriger randje rondom de triestheid van de bedelaarsgestichten, en ik ga een serietje maken van die relaties. Ik doe er eerst twee met daarbij personen die gelieerd zijn aan invoerders en daarna eentje uit de recente post. Een volgende keer doe ik 'De huwelijkswens van de doofstomme klompenmakersleerling', maar daarvan wil ik eerst wat nazoeken. Een van mijn conclusies van de afgelopen maanden is namelijk dat ik met alleen de ingekomen post een verhaal niet he-le-maal rond krijg, er moet toch wat niet-digitaal ouderwets archief-handwerk achteraan. Maar dankzij de post die we nu aan het indexeren zijn, weet ik wel precies waar ik dan moet zoeken. 

 

Johannes Huibert van Adrichem en Hendrikje Vitjeroo

Johannes Huibert (of Hubertus) van Adrichem is geboren 1819 in Rotterdam, als zoon van een militair. Het werk van zijn vader voert het gezin eerst naar Vlissingen en later, in 1838, duiken ze op in Amsterdam, zijn vader is dan Luitenant Geweldige, Hoofd departement van de Zuiderzee. Ook voor Johannes Huibert lijkt een militaire carrière in het verschiet, zijn vader geeft hem op bij de marine, 'Luitenant Geneedrager'.

Maar in 1841 overlijdt zijn moeder, zijn vader hertrouwt met een 22 jaar jongere vrouw en vanaf mei 1842 duikt de dus pas 23 jaar oude Johannes Huibert regelmatig op in de Ommerschans. Zoals zovelen: paar keer vrijgelaten, paar keer weer opgenomen.

Tijdens zijn vijfde opname trouwt hij met Hendrikje Vitjeroo. Zij is vier jaartjes jonger, afkomstig uit Leeuwarden en vanaf haar 24ste vaste klant in het bedelaarsgesticht. Bij haar tweede opname is ze vergezeld van een echtgenoot, maar die overlijdt te Veenhuizen, en een dochtertje, maar dat overlijdt op de Ommerschans. Het huwelijk tussen haar en Johannes Huibert van Adrichem vindt plaats op 3 november 1857.

Een paar maanden later worden ze samen opgenomen. Ze krijgen drie kinderen, twee geboren op de Ommerschans en eentje in Veenhuizen, en daarnaast hoort bij het gezin ook nog een onecht kind dat Hendrikje gekregen heeft na de dood van haar eerste man en voor haar huwelijk met Johannes Huibert.

Ze worden nog een keer vrijgelaten en een keer opgenomen, maar uiteindelijk zullen ze wel hun leven in vrijheid beëindigen. Allebei in Hilversum, Johannes Huibert wordt 58 en Hendrikje zal bijna 90 worden.

Overigens zullen ook de broer en zus van Johannes Huibert het in de gewone maatschappij niet redden en in het bedelaarsgesticht terecht komen, zie onderaan deze pagina.

 

Jacobus Tiggelaar  en Petronella Storimans

Petronella Storimans is 23 jaar als ze in 1827 op de schans terechtkomt. Ze is afkomstig uit Nieuwer-Amstel en is met haar moeder en een zusje enkele jaren terug tot armoede vervallen nadat haar vader was overleden. In een hut, opgetrokken van hout en riet, in de berm van de Amsteldijk bleven ze in leven door een beetje steun van de gemeente, maar vooral door aalmoezen. Ze boden ook onderdak aan rondzwervende bedelaars en de buurt wil dat 'het nest eens uitgerooyd werd, want het loopt er overheen. Het is buuren last en plaag'. Petronella komt met haar moeder en zusje eerst in Hoorn en daarna op de Ommerschans.

Petronella is de enige van het gezin die de bedelaarsgestichten overleeft. Ze is één El en zes palm lang, ze heeft bruin haar en blauwe ogen, en ze is 'scheel met 1 oog'. Dat laatste zal wel meevallen, want bij een latere inschrijving heet dat 'een weinig scheel' en nog later wordt het niet meer genoemd.

Ze loopt een keer weg en ze wordt twee keer ontslagen, maar na de vierde opname trouwt ze een mede-bedelaarskolonist. Hij heet Jacobus Tiggelaar, hij komt uit Leeuwarden, is zes jaar ouder dan zijn bruid en trekt rond met een dochtertje uit een eerder huwelijk dat ten tijde van de trouwerij rond de tien jaar oud is. Het huwelijk wordt 13 oktober 1836 te Ommen voltrokken.

Zeventien dagen later komen ze de schans weer binnen vanuit Avereest. Vermoedelijk dus een vrijwillige opname, met de winter voor de deur en geen werk. Ze worden met het dochtertje overgeplaatst naar Veenhuizen en zullen daar een woninkje gekregen hebben voor een bedelaarshuisgezin aan de buitenkant van het tweede gesticht.

Daar blijven ze tien jaar en in die tijd worden de nodige kinderen geboren. Als ze op vrije voeten komen gaat het snel weer mis. De meeste kinderen overlijden en Petronella en Jacobus gaan nog een aantal keren samen gesticht in, gesticht uit voor ze eind jaren vijftig op de Ommerschans overlijden. Eén kind overleeft alles, weet de bedelaarskolonie achter zich te laten en zal in 1918 op tachtigjarige leeftijd in Arnhem overlijden. En de dochter uit het eerste huwelijk van Jacobus...? Zij zal in haar volwassen leven diverse keren in het gesticht opgenomen worden en een andere bedelaar-kolonist huwen.

Zie voor meer over Petronella deze pagina.

 

J.F. Gans en G. Geerts

Helaas was ik van de week niet in de gelegenheid naar het archief te gaan en de bedelaarsregisters in te duiken, dus van dit stel heb ik alleen de initialen en ik weet ook niet hoe het met hen afgelopen is. Maar ik vond hem toch wel leuk, dus ik gebruik een brief van Van Konijnenburg van 18 oktober 1834.

Daarin meldt hij dat J. F. Gans 'van een goed gedrag en een beste smidsknecht is'. IJver staat bij de Maatschappij van Weldadigheid heel hoog aangeschreven, dus het is mooi dat gemeld kan worden dat Gans 'in de smederij vlijtig werkzaam is'. En daarnaast heeft hij een relatie opgedaan en verlangt hij met 'G. Geerts in het huwelijk te treden'.

Daarbij is een jaar geleden iets fout gegaan. G. Geerts had dankzij een rekwest in de loop van 1833 het gesticht mogen verlaten, in de verwachting en hoop dat J.F. Gans ook ontslagen zou worden. Maar die bleek niet voor te komen op de ontslagvoordracht voor dat jaar.

Daarop 'gaf zij zich weder bij het Gemeentebestuur van Avereest vrijwillig aan' om weer in de Ommerschans opgenomen te worden en bij Gans te kunnen zijn. Maar Avereest deed moeilijk, doordat ze 'aanvankelijk hare overbrenging weigerde, vorderende dat zij daartoe eerst bedelen zou'.

Nouja, zal G. Geerts gedacht hebben, als jullie dat per se willen...

Waarna zij 'om het doel harer opneming, dat ook schijnt gedaan te hebben'. Zodat ze dankzij dat nep-gebedel nu weer in het gesticht zit. 'Haar verlangen is nog, om met J.F.Gans een huwelijk aantegaan.'