Kerktwist, deel 2

Nee, dit is (nog) niet het vervolg op de kerkstrijd op de Ommerschans want ik wil het wat breder trekken en niet de indruk wekken dat het alleen in dat gesticht niet lekker loopt tussen de verschillende godsdienstige gezindten. Het wringt begin negentiende eeuw overal in de samenleving, wat zich onder andere uit in veel touwtrekken om zieltjes.

 

De Maatschappij van Weldadigheid is godsdienstig neutraal, omdat haar zorgen 'zich tot alle armen, zonder eenig onderscheid van godsdienst, uitstrekken', maar krijgt er toch voortdurend mee te maken. De eerste twee voorbeeldjes komen uit De proefkolonie en zijn dus gebaseerd op de post uit de allereerste periode, de rest komt uit de post die we nu onder handen hebben. Met weer veel dank aan de invoerders voor alle tips:

Domme pastoor
Een van de burgemeesters van de stad Utrecht meent in 1818 een breed samengestelde subcommissie van weldadigheid in zijn stad te hebben door één van het hervormd en één van het luthers kerkgenootschap te vragen. Als de permanente commissie hem maant ook een lid uit de roomse gemeenschap te benoemen, barst hij los. Hij heeft een aantal ‘verlichte en voor het plan der Commissie van Weldadigheid geschikte mannen’ in de subcommissie bijeen gekregen en hij ziet niet hoe hij dat voor elkaar had moeten krijgen als hij hun ook een of andere ‘domme roomsche pastoor had willen op zijde schuiven’. Onder de katholieke burgers in zijn stad zijn ‘geene handelbare menschen daar men iets mede kan uitrichten’. En de ervaring heeft hem geleerd dat de protestanten hen zelfs moeten vrezen. Als ze vanuit ‘liberale beginselen’ toch posities krijgen, dan zou dat ‘bij de eerste opkomende onlusten in ’t politische’ wel eens ‘een swaerd in de hand van onverlichten geven om ons te vervolgen’.

Gerrit Boon
Protestants Harderwijk is maart 1822 in rep en roer. De diakenen hebben vernomen dat ‘Gerrit Boon, een van hunne bestedelingen, in de roomsche kerk gaat en in het kort zijne belijdenis in dezelve staat afteleggen’. De subcommissie ter plaatse voorspelt een leegloop van protestantse leden.

Het is een canard. De permanente commissie kan doodkalm melden dat er in de registers van de Maatschappij niemand voorkomt die Boon heet en op de lijst die Harderwijk zelf met de bestedelingen had meegegeven staat geen enkele Gerrit, zodat men zich in gemoede afvraagt waar Harderwijk het in hemelsnaam over heeft.

Verdoold schaap
Vanuit Veenhuizen meldt zich Johannes Hermanus Brinkman, een 17-jarige Rotterdamse bestedeling die van zijn negende tot zijn elfde bij gezinnen in de vrije kolonie Willemsoord woonde, maar nu al jaren is ingedeeld bij een van de hoevenaars (Jan Everts Hazelhof) bij het tweede gesticht te Veenhuizen. Zijn brief komt 23 februari 1835 aan bij directeur Van Konijnenburg.

'Als een verdoold schaap dwaal ik hier rond, ten aanzien van geloofsbelijdenis. Ik heb geheel geen lust om Roomsch te worden daar mijne moeder gereformeerd was, en ik daar bij geweest ben, op twee maanden na, tot ik in de koloni kwam, en buiten dien ik heb geheel geene geneigdheid om Roomsch te worden, en dominee van Rinteln wil wel, maar durft mij tot zijn onderwijs niet toelaten dus WelEdelGestrenge Heer roep ik de hulp van UWelEdelGestrenge in om mij in dit opzigt te helpen; en te bemiddelen dat ik spoedig het onderwijs van dominee Rinteln mag genieten, om eenmaal als lidmaad der protestantsche kerk aangenomen te worden waarnaar ik zeer verlang.
UWelEdelGestrenges Ond. Dienstwillige Dienaar J. Brinkman.'

Johanna Maria Kram
Johanna Maria Kram is veertien jaar als zij in 1833 in het kindergesticht te Veenhuizen wordt opgenomen. Twee jaar later meldt de 'Diaconie der Roomsch Catholijke Gemeente van Groningen' dat Johanna Maria aan hen te kennen heeft gegeven dat zij rooms is 'en dus wenscht bij de kinderen dier gemeente geplaatst te mogen worden en in het Roomsch Catholijk Godsdienstig onderwijs te mogen deelen'. Ze willen graag dat het 'daarhenen gedirigeerd worde'.

Geen sprake van, is de reactie uit Veenhuizen, dat zou 'met de keuze der belanghebbende persoon strijdend' zijn. Ze hebben namelijk met Johanna Maria gepraat, die daarbij 'het verlangen heeft betuigd om te blijven bij het Hervormd Kerkgenootschap'. Nog even los van het feit dat ze vóór haar opzending al twee jaar met haar moeder bij die gezindte ter kerke ging en dat zij in de kolonie is geplaatst door de hervormde diakonie in Groningen. Dus er zijn absoluut 'geene redenen' om aan dit katholieke 'verzoek eenig gevolg te geven'.

Secten-geest
En dat zijn dan nog de strubbelingen tussen protestanten en katholieken. Maar er gaat meer komen. Op het moment zijn de woorden 'hervormd' en 'gereformeerd' nog synoniemen, twee aanduidingen om aan te geven dat iemand protestant is zonder verschil in betekenis. Dat gaat in de loop van deze eeuw veranderen.

Dominee Clinge, de predikant van Vledder die zorgt voor het zieleheil van de protestantse kolonisten in de vrije koloniën Frederiksoord en Wilhelminaoord, stipt het aan in zijn jaarverslag over 1835. 'Terwijl bij de godsdienstige woelingen in ons vaderland de kolonisten zich gunstig blijven onderscheiden, daar er slechts drie huisgezinnen zijn, die ten gevolge van die onzinnige secten-geest nimmer of zeer zeldzaam aan de openbare godsdienstoefening deelnemen.'

Dominee Clinge noemt het niet met naam, maar hij zal doelen op de activiteiten van Hendrik de Cock en de Afscheiding van 1834, waaruit uiteindelijk aparte, gereformeerde kerken zullen ontstaan. Die afscheiding gaat ook een heleboel strijd geven en blijkbaar was dat een jaar later in de koloniën al merkbaar.