Post-varia

Post-varia
Jammer dat we gisteren niet bij de scans konden. Voor mij was het nog wel bijzonder omdat ik zowaar als hoogste invoerder van de dag eindigde!! Maar ik hoop toch heel erg dat het euvel vandaag (maandag) weer hersteld kan worden.

Hier een kleine greep uit wat langsgefladderde post. Het een wat opvallender, het ander vooral  kenmerkend. Met dank aan de invoerders.

Deze onze blijdschap
De burgemeester van Nieuwendam - voor zover ik de handtekening kan ontcijferen heet hij A. Gaaft - is oktober 1833 opgetogen blij. Het is hem 'eene zeer aangename gewaarwording' aan de permanente commissie van de Maatschappij van Weldadigheid te kunnen melden dat ene Grietje Buude hem 'de verblijdende ondervinding verschaft heeft, dat de Maatschappij haar zoo zeer veredelt heeft, dat zij zich heeft overgegeven aan de schone hoop der onafhankelijkheid'.

De burgemeester zal daarmee bedoelen dat Grietje geen beroep meer wil doen op zijn armenkas.

'Weshalven wij niet mogen afzijn UWEAchtb: deelgenoot van deze onze blijdschap te maken, en er de wensch bij te voegen, dat het de Algoede behagen, UWEAchtb: noch vele dergelijke voorbeelde te schenken; en zoo der Maatschappij het geluk te verzekeren, van in de geschiedenis als een lichtende goeddoende ster te pralen.'

Ik heb de naam Grietje Buude in het archief niet kunnen vinden en dus ook niet na kunnen kijken of ze na oktober 1833 nog wel eens in het bedelaarsgesticht opgenomen is. Want 'onafhankelijkheid' is er natuurlijk wel bij de gratie van het feit dat je werk vindt, en werkgelegenheid was niet het sterkste punt van Nederland in de eerste helft van de negentiende eeuw.

--

Om mijn aan UED voeten te werpen
Anthony Bernardus Schaghen is mei 1832 aangesteld (Drents Archief, toegang 0186, invnr 998 folio 67) als zaalopziener, bij het tweede of bedelaarsgesticht te Veenhuizen. Hij is dan 38 jaar, getrouwd en vader van vier kinderen, waar eind 1832 een jongetje bijkomt, in 1834 een meisjestweeling en januari 1835 weer een jongetje.

Rond dat laatste tijdstip raakt hij in de problemen. Hij heeft 'onzedelijken omgang gehad met eene kolonist, welke verkeerdheid door hem genoegzaam is bekend geworden'. Zoiets wordt normaliter gestraft met ontslag.

Dat weet Schaghen ook en hij wendt zich 19 februari 1835 tot directeur Van Konijnenburg 'om mijn ten neederigste aan UED voeten te werpen'. Hij vraagt 'den zaak van beschuldiging te mijnen opzichte ten besten te schikken' omwille van 'mijn braven vrouw en neegen braven en onozelen kinderen'.

Hoe die aan die 'neegen' kinderen komt is mij een raadsel. Volgens mij zijn het er acht. Pas in 1837 komt er weer eentje bij. Telfoutje?

Als hij ontslagen zou worden, vervolgt Schaghen, zou 'een treurigen vrouw die haar braafheid niet hoog genoeg kan ge### worden ten grave dalen en wat zouw er dan met de ### overigen geworden'. (### = écht niet te lezen)

Hij belooft dat 'er niets in het vervolg tegen mijn zal aangevoerd worden'. En op een meer filosofisch niveau: 'Een mens is zwak, en God zijd: die zijn zonde belijd zal vergiffenis bekomen'. En in dat kader vraagt hij 'om mijn om die vout niet ten strengsten aan te reekenen' en bij een 'genadige kwijdschelding' zal Van Konijnenburg voor altijd in Schaghens gebeden tot God geroemd worden.

De directeur is niet ongevoelig. Hij merkt op dat de man 'een actief zaalopziener' is en hij heeft 'een zeer talrijk huisgezin, hetwelk mededoogen verdient'. Anderzijds is de zaak 'ruchtbaar geworden' en 'kan, reeds hierom, niet geheel worden voorbijgegaan'. Zijn voorstel is om Schaghen 'minstens voor 3 weken in zijne dienst geheel te schorsen, met inhouding van zijn salaris voor den genen, die zoo lang zijnen post zal waarnemen'.

Of en hoelang Schaghen geschorst is heb ik niet nagekeken, maar er zal zoiets uitgekomen zijn, want hij mag blijven. De strengheid in het personeelsbeleid van de Maatschappij wordt beperkt door de moeilijkheid om geschikte mensen te krijgen. Schaghen zal tot 1840 als zaalopziener werken.

Fijn voor de man en zijn gezin, jammer voor de invoerders want hij heeft een uiterst beroerd handschrift.

---

Het goede en het booze
Directeur der koloniën Jan van Konijnenburg (wie kent hem niet) eindigt het jaar 1835 en luidt het jaar 1836 in met een bede:

Moge de Hemelsche
vader een Welbehagen heb-
ben in het verrigte van het
schier afgeloopen jaar ge-
lijk wij Hem dankbaar
zijn voor het genoten goe-
de in hetzelve, en Hij
een nieuwen jaarkring van
de kolonien doen aanbre-
ken, waarin de zegepraal
van het goede over het boo-
ze immer grooter worde! 

Wil Schackmann