Kwajongensstreken

Kwajongensstreken horen volgens mij tot de zaken die in de loop der eeuwen weinig veranderen. Je mag er gerust van uit gaan dat je eigen voorvader ook kattekwaad heeft uitgehaald. Dat kom je echter nooit te weten, tenzij... die voorvader in een van de koloniën van weldadigheid heeft gewoond. Dan is er goeie kans dat de kwajongen zich heeft moeten verantwoorden en in het archief is opgetekend wat hij heeft uitgehaald. Een kleine willekeurige greep:

De dertienjarige Frederik Leonhardt uit Wilhelminaoord wordt  beschuldigd 'baldadigheid te hebben gepleegd aan de school in de Oostvierdeparten'. Het misdrijf zou zijn begaan op 11 juli 1838 toen hij 'met zijne makkers' van de katoenweverij naar huis liep, het had bestaan uit het 'met steenen, op de school te gooijen' en de getuige à charge is de schoolmeester Daniël Was. 'Daar ik nog met het onderwijs bezig was, had ik ook gelegenheid, na zulks eenmaal vernomen te hebben, de dader te kunnen gade slaan.'

In eerste instantie had Frederik al duidelijk gemaakt dat er niet naar de school zelf maar alleen op het dak van de school gegooid was. Ten tweede was er volgens hem geen sprake geweest van stenen, maar van 'een steentje'. En tenslotte had Frederik dat ene onbenullige steentje alleen maar gegooid 'op aanraden van' een met name genoemde kameraad.

Blijkbaar heeft Frederik op het laatste moment geen trek om dat verhaal op de tuchtzitting van 21 juli 1838 nog eens te herhalen. 'Den beschuldigde niet verschenen, doch de vader komt binnen, te kennen gevende, dat zijnen zoon hem onder den weg was ontloopen.'

De raad onderhoudt dan maar die vader over 'de verkeerdheid' van Frederik en 'draagt hem op de zoon hierover ernstig te onderhouden'. 

Pieter Nieuwenhuis en Lucas Krabshuis van vijftien jaar, en Jan Wibier en Jan Smies van elf jaar, vormen een groepje dat 'baldadigheid zoude hebben gepleegd aan de katoenfabriek in kolonie no 1'. Meer concreet staan zij onder verdenking 'een gedeelte des muurs van het secreet bij de katoenwerij te hebben afgebroken'.

De jongens zijn het er niet mee eens, maar daar wordt niet echt aandacht aan besteed. 'De beschuldigden binnen geroepen zijnde, willen zij allen hunne onschuld te kennen geven, zijnde de Raad echter genoegzaam van hunne schuld overtuigd.'

Aldus monddood gemaakt worden de twee jongsten veroordeeld tot twee dagen opsluiting in de  strafkamer op de kolonie. De twee oudsten moeten vier dagen zitten, met ook nog eens de toevoeging 'zullende het beschadigde uit het zakgeld van de twee oudsten worden hersteld'.

Zeven jongeren, in leeftijd variërend van 13 tot 18 jaar, zouden 'op zondag en maandag den 15 en 16 dezer maand, door de te veld staande rogge zijn gelopen'. Ze hadden dat gedaan 'om zekere zwarte korrels uit de halmen te peuteren'. Zwarte of 'aardkorrels' uit de rogge geven bij lang kauwen hetzelfde gevoel in je mond als - het toen nog niet uitgevonden - kauwgum. Gevolg van hun actie zou zijn geweest dat 'het te veld staande koorn is vertrapt' en schade toebrengen aan het gewas is binnen de Maatschappij een ernstig vergrijp.

De jongens betuigen dat het erg meeviel. 'Zij brengen tot hunne verontschuldiging in, dat zij alleenlijk door de slooten bij langs en niet over de akkers zoude gegaan zijn.' Dat laat de tuchtraad meespelen in de beoordeling. Met het oog op 'het min beschadigde aan het koorn' komen ze er van af met twee dagen strafkamer.

In die al een paar keer genoemde katoenweverij is een groepje van vier jongens rond de veertien jaar over de schreef gegaan, ze zijn betrapt op het 'zingen van ongepaste liederen'.

Over dat lied wil ik natuurlijk meer weten. Dat lukt ten dele, het blijkt te zijn 'een ontuchtig lied, waarin de R.K. Pastoor de heer van Dam, betrokken was'.

Dan weet ik nog niet zoveel als ik weten wil, maar de preciese tekst wordt helaas niet geciteerd.

De jongens ontkennen het niet, maar verklaren 'dit van de andere wevers die zulks ook gezongen zouden hebben, te hebben gehoord'. Dat klinkt plausibel, dat geloof ik, maar de raad heeft er geen boodschap aan. Ze neemt de eer van pastoor Van Dam hoog op en komt tot een vonnis van acht dagen opsluiting in de strafkamer. 

Kwajongens blijven kwajongens als ze de twintig naderen. Als een jongejuffer met de naam Grietje Room uit het nabij de kolonie gelegen Nijensleek op een zondagavond 'de Godsdienstoefening had bijgewoond, die in de Hoofdschool van kolonie no. 2  wierd gehouden' en terug naar huis wil, besluiten enkele opgeschoten kolonistenzonen een potje met haar te gaan dollen.

'Zij hadden haar dan gegrepen en tegen den grond gegooid.' Een 21-jarige jongen zou gezegd hebben: 'Laten wij haar in de vaart smijten, dan kan zij zwemmen als een vischje.' Dat gebeurt niet, dit staaltje zinloos straatgeweld eindigt zonder lichamelijk letsel. Er is alleen materiële schade: 'Haren zakdoek is bij die gelegenheid te zoek geraakt en haar oorijzer beschadigd.'