11. Wat vind ik over hun dagelijks leven?

Voor de speurtocht naar onze voorouders zijn in de voorgaande hoofdstukken verschillende wegen aangegeven. Als we het uitdrukken in een mensenleven, dan weten we nu hoe wij de geboortedatum en -plaats van onze voorouder kunnen vinden, alsmede wanneer hij of zij gedoopt is. Vervolgens kunnen we de school- en eventueel studentenjaren achterhalen en weten we welke broodwinning hij gevonden heeft. Het huwelijk van onze voorouders en de daaruit voortgesproten kinderen zijn ons bekend. Op velerlei manieren zijn zij in aanraking gekomen met officiële instanties: voor een huwelijkscontract, een testament, de koop of verkoop van onroerend goed, voor de bedeling, voor een geschil, een overtreding of misdrijf of de scheiding en deling van een nalatenschap. Wij kunnen de bronnen hiervoor vinden.

Al deze wegen hebben ons geleid naar een beter beeld van het leven van onze voorouders. Toch ontbreekt er nog een aspect: het dagelijks leven. Hoe gingen onze voorouders met elkaar om? Hoe was hun sociale en maatschappelijke leven? Welke gewoonten en tradities kenden zij? Wie meer van zijn voorouders wil weten dan hun namen en data, is ook geïnteresseerd in hun dagelijks leven. Dit hoofdstuk geeft een aantal van de belangrijkste bronnen die daar inzicht in kunnen geven.


DE KERK
In het leven van (de meeste van) onze voorouders speelde de kerk een belangrijke rol. Het lidmaatschap van een kerk was vaak haast een voorwaarde om deel uit te maken van een lokale gemeenschap. Het is dan ook logisch dat de kerkelijke archieven een bron zijn voor de kennis van het wel en wee van onze voorouders.

Dat ze (in elk geval vóór 1811) naar de kerk gingen om er te trouwen, er hun kinderen te laten dopen en er te begraven is in hoofdstuk 2 al aangegeven. Men kon niet deelnemen aan het Avondmaal des Heren wanneer men geen lidmaat was, dat wil zeggen wanneer men geen belijdenis gedaan had. Ook degenen die van elders kwamen, werden niet tot de kerkelijke gemeente toegelaten alvorens belijdenis gedaan te hebben. In veel gemeenten noteerde de predikant of een kerkenraadslid wie belijdenis deed en wanneer. Kwam men uit een andere plaats, dan werd dat er veelal bij vermeld. Vaak bevinden de lidmatenregisters zich in het archief van de hervormde gemeente, soms staan de lidmatenlijsten in de doop- en trouwboeken. De meeste archieven van Drentse hervormde gemeenten worden bewaard bij het Rijksarchief Drente.

Vanaf 1847 zijn nogal wat Drenten, met name van gereformeerden huize, geëmigreerd. Het lidmatenregister van de gereformeerde kerk in Assen bevestigt dat. De kerk was al in 1834 afgescheiden van de hervormden. Toen werd ook een lijst van lidmaten aangelegd en vervolgens in de jaren nadien bijgehouden. In de lijst is bij een aantal lidmaten aangetekend dat zij vertrokken zijn naar Noord-Amerika: Geert Buining Dalman, Jantien Bos, Jan van Rhee en zijn vrouw, Pieter Tammes van den Bos en nog anderen. Maar ook om andere redenen kon het lidmaatschap beëindigd worden: `Jan Schothorst is als een vuil lidt afgesneeden op den 21 april 1844'. (Archief Gereformeerde kerk Assen, toegangnummer 0412, inv.nr. 125).

Van een lidmaat werd verwacht dat hij zich aan de bepalingen van de kerkorde hield en blijk gaf van een godvruchtige levenswandel. Deed hij dat niet, dan mocht de kerkenraad hem ter verantwoording roepen.

De kerkenraad van Hijkersmilde plaatste op 25 maart 1872 het lid der gemeente Otte Bruins onder censuur. Hij was niet verschenen na een oproep van de kerkenraad om beschuldigingen van overspel met een dienstbode te weerleggen. Pas na geruime tijd ondernam Bruins actie en maakte bezwaar bij de kerkenraad. In de vergadering van 6 oktober 1873 besloot de kerkenraad evenwel nog geen vrijheid te hebben de censuur op te heffen. Bruins richtte zich dan tot het bestuur van de classis Assen in een negen pagina's tellend bezwaarschrift en legde een getuigenis van een tiental gemeenteleden van Hijkersmilde over, dat blijk gaf van het `nauwgezette leven' van de beschuldigde. In zijn bezwaarschrift bracht hij naar voren dat hij nu onder censuur gesteld was voor iets wat al jaren geleden gebeurd was. De werkelijke reden was volgens hem echter dat hij als kerkvoogd was afgetreden wegens aanmerkelijke verschillen van mening en dat de kerkenraad nu wraak op hem nam. Alvorens te beslissen won het classicaal bestuur advies in van de kerkenraad van Hijkersmilde. Deze verwonderde zich erover dat tien gemeenteleden, `onder wie er voorkomen die men waarlijk achten moet' , zich voor een dergelijke getuigenis hadden geleend. Bovendien was Bruins nog gezien met `dat meisje'. Na nog enkele verklaringen ingewonnen te hebben deelde de kerkenraad op 13 november 1873 zijn negatief advies aan de classis mee. Het classicaal bestuur nam dit advies over. Bruins bleef buitengesloten.

Dit boeiende, uit het leven gegrepen verhaal is gereconstrueerd uit de kerkenraadsnotulen (Archief Hervormde gemeente Hijkersmilde, toegangnummer 0641, inv.nr. 1) en uit de notulen van de classis Assen en de ingekomen stukken van 1873 (Archief Classis Assen, toegangnummer 0444, inv.nrs. 27 en 45).

Op velerlei andere wijzen kunnen uw voorouders figureren in de kerkelijke archieven. Zij kunnen een functie bekleed hebben, zoals kerkenraadslid, diaken of kerkvoogd, of in dienst van de kerk zijn geweest, bijvoorbeeld als koster of organist. Maar misschien hebben ze ook wel een huisje of enige grond gepacht van de kerk, of een graf gekocht, of een som gelds gelegateerd. In de registers en losse stukken die de verschillende organen hebben nagelaten, kan daarin onderzoek verricht worden. Daarbij moet u rekening houden met de taakverdeling binnen de kerk. De kerkenraad hield zich bezig met de registratie van de kerkelijke bevolking en met opzicht en tucht over de gemeente, de diakonie was verantwoordelijk voor de armenzorg en de kerkvoogdij (in de gereformeerde kerk na 1834 commissie van beheer geheten) had het beheer van goederen en middelen. In de katholieke parochies (na 1800) was een onderscheid tussen de zaken die de pastoor behandelde (de geloofsbeoefening aangaand) en die het kerkbestuur behartigde (middelenbeheer).

In het zojuist gegeven voorbeeld van Hijkersmilde kwam het classicaal bestuur naar voren als beroepsinstantie. Zowel in de hervormde als de gereformeerde kerk was de classis het meerdere orgaan van de gemeenten en de synode het meerdere van de classes. Belangrijke of hoogoplopende kwesties kunnen dus ook in de archieven van deze instellingen gevonden worden. In de katholieke kerk was de bisschop de instantie boven de pastoor.

Op het verhandelde in de synodale vergaderingen in de zeventiende en achttiende eeuw is een uitstekende toegang gemaakt: J.W.Th.M. Beekhuis-Snieders, Nadere toegang op de protocollen van de Provinciale Synode van Drenthe (1622-1809) (Assen 1990). Per rubriek zijn daarin alle besluiten van de synode kort weergegeven. Vooral de rubrieken `bemoeienissen met de kerkdiensten', bemoeienissen met verschillende ambtsdragers, `kerkelijke censuur' en `abuisen' zijn zeer de moeite waard. Een aantal vermeldingen mogen dat verduidelijken. Bij de visitatie in 1637 in Anloo werd geklaagd over het feit dat bruid en bruidegom met hun feestgezelschap vaak al aangeschoten onder de dienst de kerk binnenkwamen. Dit scheen op meer plaatsen voor te komen. Bij de visitatie in 1675 in Dalen klaagde men over de ontheiliging van de zondag door bruiloften en andere gasterijen. Verschillende predikanten vroegen op de synode van 1754 maatregelen tegen braspartijen op tweede paas-, kerst- en pinksterdag en bij doopfeesten, wasschuppen (bruiloften) en begrafenismalen. De synode verwees de predikanten naar de rechtdagen van Drost en Gedeputeerden.

De notulen van de provinciale synode over de jaren 1598-1620 zijn in druk uitgegeven door J. Reitsma en S.D. van Veen, Acta der provinciale en particuliere synoden, gehouden in de Noordelijke Nederlanden gedurende de jaren 1572-1620. VIII (Groningen 1899).

Literatuur
J.G.J. van Booma, Onderzoek in protestantse kerkelijke archieven in Nederland: handleiding, tevens beknopte gegevens over de geschiedenis van de kerkelijke instellingen, over het kerkelijk archiefrecht en het kerkelijk archiefbeheer (Den Haag 1994). P. van Beek, Gids van Afscheidingsarchieven 1834-1892 (Leusden 1991).


TRADITIES
De klachten op de synode maken duidelijk dat de Drenten er op de hoogtijdagen van het leven een vrolijke boel van maakten. Dat leidt naar de vraag welke gebruiken onze Drentse voorouders kenden. Het antwoord op deze vraag moet vooral in de literatuur gezocht worden. In de negentiende eeuw is het een en ander opgeschreven. Vooral de landbouwer en schrijver Harm Tiesing moet hier genoemd worden. Zijn geschriften zijn uitgegeven door C.H. Edelman, Harm Tiesing. De geschriften over den landbouw en het volksleven van Oostelijk Drenthe (Assen 1943). Ze geven een prachtig beeld van het dagelijks leven in oostelijk Drenthe in de vorige eeuw. De spinstertijd (de ontmoeting van jongens en meisjes), de wasschup (bruiloft) met z'n vele gebruiken, de doop- en begrafenisrituelen en de andere feestdagen in het jaar zijn er in beschreven.

Maar ook andere schrijvers zijn de moeite van het lezen waard. De Dwingeler predikant C. van Schaik heeft veel over Zuidwest-Drenthe beschreven. In de Drentsche Volksalmanak en later de Nieuwe Drentse Volksalmanak verschenen met grote regelmaat artikelen over het volksleven, verdwenen of verdwijnende tradities en andere cultuuruitingen. Auteurs hiervan waren onder anderen de leraar Hendrik Tillema, de Hoogeveense griffier van het kantonegerecht en schoolopziener Jan van der Veen Azn, de gemeenteontvanger Albert Steenbergen en Geert Broekhuizen. Ook schrijvers als H.T. Buiskool en de Meppeler onderwijzer J. Poortman hebben het Drentse volksleven beschreven. Van meer recente tijd zijn de boeken van H. van der Zweerde, Plattelandsleven in Zuidwest-Drenthe 1860-1925 (Meppel 1983) en Zo leefden wij (Meppel 1980).


CULTUREEL LEVEN
De literatuur over de gewoonten en gebruiken vertelt hoe onze voorouders de lange winteravonden doorbrachten en wat zij op zon- en feestdagen deden. In de negentiende eeuw komt daar geleidelijk aan het verenigingsleven bij.

Voorganger daarin was de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, die overal in den lande (dus ook in Drenthe) departementen had. De Maatschappij streefde naar een geestelijke en culturele ontwikkeling van de mensen buiten de kerk. Elk departement organiseerde daarvoor lezingen en voordrachten, legde een nutsbibliotheek aan, zette soms een fröbel- of bewaarschool op of een `school voor huisvlijt'. De notulen van de bijeenkomsten en de ledenlijsten van de departementen geven inzicht in wie op welke wijze cultuur beoefende.
De archieven van het district Drenthe van de Maatschappij, alsmede van de departementen Anloo, Assen, Beilen, Frederiksoord, Rolde, Veenhuizen en Zuidlaren worden in het rijksarchief bewaard (toegang 0701).

Een religieuze grondslag hadden de jongelingen-, mannen- en vrouwenverenigingen en zangkoren van de kerken. Deze hebben in een grote variëteit en met schilderachtige namen (De Jonge Samuel, Jongerengilde) bestaan. De notulen en verslagen van deze verenigingen geven een indruk van de activiteiten. De archieven ervan zijn meestal toegevoegd aan de kerkelijke archieven.


HUISELIJK LEVEN
Om een indruk te krijgen van hoe men woonde, is de boedelinventaris een nuttige bron. Zoals in hoofdstuk 3 al is aangegeven, werden boedelinventarissen meestal opgemaakt bij overlijden, bij de benoeming van voogden over minderjarige kinderen of bij faillissement. De inventaris somt alle roerende en onroerende goederen van een persoon op. Daarmee geeft hij een gedetailleerde, haast intieme kijk in het vroegere huishouden.

De achttiende-eeuwse boedelinventarissen zijn vaak zeer beperkt en laten het eenvoudige bezit goed zien. Men vindt ze in de verschillende protocollen, aangelegd en bijgehouden door de schulten. Vanaf de negentiende eeuw worden de inventarissen omvangrijker en gevarieerder van inhoud. Soms vindt men er zelfs een overzicht van het boekenbezit in. De boedelinventarissen uit deze tijd moeten vooral in de notariële en de familiearchieven gezocht worden.

Literatuur
Zie voor de mogelijkheden van de boedelinventaris H. van Koolbergen, Materiële cultuur: huisraad, kleding en bedrijfsgereedschap (Zutphen 1988). Een interessant artikel is van de hand van E.G. Schrage, `Boekenbezit te Anloo en Zuidlaren in de 18e eeuw', Ons Waardeel (1981) 133-137. G. Wiggerts wijdde een scriptie aan Boekbezit in Meppel 1713-1811 (Meppel 1998).
Familie- en huisarchieven kunnen bronnen bevatten die iets onthullen over het dagelijks leven. Zo treft men er regelmatig in aan: dagboeken, receptenboeken, schoolschriften, nieuwjaarswensen, feestgedichten, menu's, diploma's en bullen, schrijfalmanakjes en natuurlijk persoonlijke brieven.

Jan Haak Oosting leefde van 1749 tot 1828. Hij heeft een bijzonder aardig archief nagelaten, dat thans onderdeel is van het familiearchief Oosting (toegangnummer 0366). Zijn archief bestaat uit persoonlijke papieren, zoals een bewijs van inschrijving aan de Groninger universiteit, brieven, gedichtjes, de aankondiging van zijn huwelijk met Catharina Evers, hun huwelijksvoorwaarden en stukken betreffende verschillende nalatenschappen, waarvan Oosting en zijn vrouw erfgenaam waren. Verder bevat het aantekeningen van een reis door Groningen en Friesland en een paspoort ten behoeve van een reis naar Oost-Friesland. Daarnaast bevat het financiële stukken en papieren betreffende de verschillende functies die hij uitoefende. Zo was hij in zijn leven advocaat in Arnhem en Assen, landdagscomparant (Statenlid), rentmeester, ontvanger-generaal, lid van de Etstoel, lid van de Generaliteitsrekenkamer en na 1814 lid van Provinciale Staten van Drenthe.

Niet alleen de archieven van vooraanstaande Drenten bevatten interessante informatie, ook de overgebleven papieren van boerenfamilies kunnen van belang zijn. In het algemeen betreffen deze huwelijkscontracten, schuldbekentenissen, eigendoms- en nalatenschapspapieren.

Het persoonlijk archief van Albert Lucas Steenbergen (1702-1752) bevat zijn huwelijkscontract uit 1733 met Aaltien Willems Steenbergen, een vijftal schuldbekentenissen ten laste van hem en een `afkoopbrief tusschen mijn vader, moeder en Jan Steenbergen en mijn andere broeders en susters' (de afhandeling van de nalatenschap van zijn overleden broer). Verder bevat het archief enige eigendomsakten betreffende grond in zuidwest-Drenthe. (Archief Familie Steenbergen, toegangnummer 0597)

Over ziekten in het gezin is zo goed als niets te achterhalen. Bekend is dat men vaak overleed aan ziekten waartegen nu eenvoudig inentingen bestaan (pokken) of medicijnen te slikken zijn (griep). Ziekten die in elk geval in de negentiende eeuw in Drenthe voorkwamen, waren cholera (met epidemieën in 1832-1833, 1848-1849, 1853-1855, 1866-1867), roodvonk (met kleine explosies in de jaren '40 en '50) en difterie. Vrij algemeen kwamen ook voor pokken (door de inenting echter weinig slachtoffers), mazelen, typhus en tbc.

De archieven van instellingen op het terrein van de volksgezondheid (zoals het `Groene Kruis') bieden nauwelijks individuele informatie. Voor de laatste 150 jaar is de krant een informatiebron van betekenis.

In november 1918 stonden de kranten vol over de beruchte `Spaansche griep', die veel slachtoffers eiste. Men kan het aflezen aan de gepubliceerde burgerlijke standsgegevens, waarin het aantal overledenen groot was. Maar ook de nieuwsberichten zijn van een zelfde strekking.

Borger. De Spaansche griep is hier nog zeer kwaadaardig. Geheele gezinnen zijn door de ziekte aangetast. Het aantal sterfgevallen bedraagt hier thans 8 en in de geheele gemeente gedurende deze maand 20. De geneeskundigen kunnen het werk niet af; er is een adsistente voor hulp aangekomen. Het gebruikelijke ``verluiden'' is tijdelijk afgeschaft. (Provinciale Drentsche en Asser Courant, 12 november 1918)

Dalen. Ook in deze gemeente worden verscheidene menschen, soms geheele gezinnen, door de Spaansche griep aangetast. Sommige winkels en bakkerijen moesten reeds tengevolge daarvan tijdelijk worden gesloten. Hier en daar treedt de ziekte zeer kwaadaardig op, zoodat reeds enkele patiënten zijn bezweken (Provinciale Drentsche en Asser Courant, 23 november 1918).

Geluk en toeval speelt echter ook een belangrijke rol om iets te weten te komen over de gezondheid van onze voorouders.

Een prachtig voorbeeld is het volgende geval. In de maand december 1862 overleden te Gieterveen vier kinderen uit het gezin van Hendrik Kersten en Trientje Scheerhoorn: Lammechien op 11 december, Harmtien op 15 december en Aaltje en Berend op 22 december. Wat zou de bijzondere oorzaak hiervan kunnen zijn?

In het Verslag van Gedeputeerde Staten aan de Staten der provincie Drenthe over het jaar 1862 vinden we onder andere mededelingen over `den algemeenen gezondheids- en ziektetoestand van Drenthe'. Daaruit blijkt dat vooral in de veenstreken binnen de gemeente Gieten, zoals in Gieterveen, angina diphtherina heerste. Dat nam in december zelfs epidemische vormen aan. Er overleden twaalf ingezetenen aan de ziekte, `waarvan 4 in één huisgezin', aldus het verslag. Het kan haast niet anders dan dat de in het verslag bedoelde vier personen de kinderen uit het gezin Kersten zijn geweest. Onverwacht krijgt men zo dus een dramatisch kijkje in het huiselijk leven in Gieterveen.
De verslagen van Gedeputeerde Staten zijn in druk verschenen over de jaren 1851-1936.


DE KRANT
Menig inmiddels ervaren genealoog is zijn onderzoek begonnen met de advertentie van zijn eigen geboorte in de lokale of regionale krant. Ook voor de viering van huwelijksjubilea wordt graag teruggegrepen op de krant ten tijde van het huwelijksfeest. Daarmee is al aangegeven dat de krant een bron voor genealogisch onderzoek is. Vooral de geboorte-, huwelijks- en overlijdensberichten kunnen goede diensten bewijzen.

Na eene ziekte van zeven weken overleed heden, tot mijne droefheid, mijn hartelijk geliefde Echtgenoot Licolaas Berkenbosch, onderwijzer der jeugd alhier, in den ouderdom van bijna 55 jaren, waarvan ik ruim 19 door een' genoeglijken echt met hem was vereenigd. De twee zonen, die hij mij nalaat, beweenen in hem een' zorgdragende Vader - ik zelve een' tederminnenden en trouwen Echtgenoot. Hoogeveen, 17 Maart 1853. L. Piccardt, wed. L. Berkenbosch.
(Provinciale Drentsche en Asser Courant, 19 maart 1853)

Deze advertentie vertelt ons dus wanneer, waar en hoe L. Berkenbosch is overleden, met wie en hoe lang hij getrouwd was, hoeveel kinderen hij had, wat zijn beroep was en hoe oud hij was.
Maar ook advertenties voor personeel of de veiling van onroerend goed, bedrijfsreclame en andere berichten kunnen van nut zijn om ons beeld van de familie aan te kleden.

In de Groninger Courant van 1 november 1754 lezen we de volgende advertentie:

Juffrouw de wde Alting in het dorp Eelde in de Landschap Drenthe geleegen, gedenkt op Donderdag 19 Dec. 1754 bij uytmijninge te laten verkoopen haar huys zijnde voorzien met verscheiden spatieuse vertrekken, goede kelders, keuken en schuuren, twee groote hoven voor en agter het huys liggende met tien aspergebedden en exquisite vruchtbomen beplant, beneffens bouw en weidelanden daaraan en omtrent geleegen, met banken en legersteden in de kerk, mitsgaders hoog en boschlanden, velt en veen, leggende op gemelde goederen geregtigheid tot visschen en jaagen.

Welke kranten zijn er ter beschikking, wanneer men naar Drentse voorouders op zoek is? De eerste, echt Drentse krant verscheen pas in 1823. Maar voor die tijd werden er in Drenthe wel al kranten gelezen, met name door de meer gegoeden. In het noorden en oosten van de provincie was men op Groningen georiënteerd. Sinds 1743 verscheen daar de Groninger Courant en vanaf 1787 de Ommelander Courant. Het zuidwesten van Drenthe las de sinds 1790 in Zwolle uitgegeven Overijsselsche Courant. Maar ook Hollandse kranten werden hier gelezen, getuige berichten en advertenties daarin: de (Oprechte) Haerlemsche Courant, De Leidsche Courant en de 's Gravenhaagsche Courant.

Op 1 april 1823 kwam in Assen het Nieuws- en Advertentie-blad voor de provincie Drenthe uit. Later heette deze krant Provinciale Drentsche en Asser Courant. De huidige naam is Drentse Courant. Vanaf 1843 verscheen in Meppel het Stadsnieuws, dat drie jaar later uitgebreid werd tot de nog steeds bestaande Meppeler Courant. In 1860 startte in Hoogeveen de boekverkoper en -drukker Claas Pet het Hoogeveensch Nieuws- en Advertentieblad, dat na verloop van jaren de Hoogeveensche Courant gaat heten. Van later tijdstip zijn de Coevorder Courant (1885), de Emmer Courant (1891) en het Nieuwsblad voor Beilen (van 1893). Het sinds 1888 in Groningen verschijnende Nieuwsblad van het Noorden verwierf in het noordelijk deel van Drenthe een behoorlijk aantal lezers.

Aanvankelijk waren de berichten in de kranten zeer `droog' en was het aantal advertenties beperkt. In de loop van de negentiende eeuw veranderde dit geleidelijk en kregen de kranten het karakter dat wij nu ook nog kennen.

Literatuur
Een helder overzicht geeft Bart Tammeling, De krant bekeken. De geschiedenis van de dagbladen in Groningen en Drenthe (Groningen 1988). Iets ouder, maar nuttig is ook H.C. van Dockum (ps. H. Clewits), Over, uit en om de Provinciale Drentsche en Asser Courant van den aanvang tot heden (Assen 1942). H.J. Prakke heeft in de NDVA van 1956 en 1957 enkele artikelen over de krantengeschiedenis geschreven. Over hoe de berichtgeving vóór de krant was leze men zijn Kerkgang om nieuws (Assen 1955). Over de Meppeler Courant zie J.H. Boom, 150 jaren? Op zoek naar het begin en korte geschiedenis van Koninklijke Boom Pers, uitgevers en drukkers te Meppel (Meppel 1991).

Beschikbaarheid
In de rijksarchieven in Groningen en Drenthe wordt een groot aantal van de aldaar verschenen kranten bewaard, hetzij in origineel hetzij op microfiche. Bij beide instellingen is een overzicht van de beschikbare kranten voorhanden. Voor de grootste kranten kan men bij de volgende instellingen terecht:
  • Groninger Courant (sinds 1743) en Ommelander Courant (sinds 1787) - Groninger Archieven, Groningen;
  • Overijsselsche Courant, later Zwolsche Courant (sinds 1790) - Gemeentearchief Zwolle, Rijksarchief in Overijssel, Zwolle;
  • Provinciale Drentsche en Asser Courant (vanaf 1823) - Rijksarchief Drenthe, Assen;
  • Meppeler Courant (vanaf 1846) - Boom Pers in Meppel, microfiches in Rijksarchief Drenthe, Assen;
  • Hoogeveensche Courant (vanaf 1860) - Uitgeverij C. Pet BV, Hoogeveen;
  • Nieuwsblad van het Noorden (vanaf 1888) - Groninger Archieven, vanaf 1946 (editie Drenthe) Rijksarchief Drenthe;
  • Emmer Courant (vanaf 1905) - Gemeentehuis, Emmen;
  • Nieuwsblad voor Beilen (van 1908) - Boekhandel en drukkerij Kerkhove, Beilen.

Grote collecties familieadvertenties worden beheerd door het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag (zo'n 20 miljoen stuks) en door de Nederlandse Genealogische Vereniging. Ook de Drentse Historische Vereniging in Assen heeft een collectie overlijdensadvertenties.