7. Burgerlijke rechtszaak

In het leven van uw voorouders kunnen zich situaties hebben voorgedaan die het noodzakelijk maakten zelf de uitspraak van een rechter te vragen. Het ging dan niet om strafrechtelijke, maar civielrechtelijke of burgerlijke kwesties. In familiezaken betrof dat­ dikwijls een nalatenschap, een boedelscheiding (bij erfenis en echtscheiding), echtscheiding of de opheffing van de huwelijksgemeenschap. Laten we aan de hand van een concreet geval eens nagaan of we van een familierechtelijke zaak meer te weten kunnen komen: de echtscheiding van Geessien Hiddingh en Jan Mulder, onze eerste kennismaking met een civiele procedure of civiel geding.

Procesrecht
Omdat enige kennis over het procesrecht het slagen van een zoektocht naar de wederwaardigheden van onze voorouders zal bevorderen, volgen enige hoofdlijnen van het civiele geding.

Voor doelgericht zoeken in rechterlijke archieven staat voorop dat we de basisgegevens van de desbetreffende voorouder bij de hand hebben. Bovendien is op zijn minst uit een andere bron een nadere aanwijzing noodzakelijk over de tijd, dus een jaartal of een tijdsperiode, waarin de rechtszaak zou kunnen hebben gespeeld.

Belangrijk is vooraf te beseffen dat de weergave van een rechtszaak altijd datgene inhoudt dat door de eiser en de gedaagde beweerd wordt tegenover de rechter. Wat beweerd wordt is vervolgens vooral datgene wat voor de rechter bewezen kan worden. Enige waarschuwing dat dit niet vanzelfsprekend weerspiegelt wat zich werkelijk tussen de partijen afspeelde, is hier wel op zijn plaats.

De loop van het civiele geding vanaf 1838
Het civiele geding zoals dat wordt gevoerd voor de arron­dissementsrechtbank - in Drenthe is dit de rechtbank te Assen - is de basisprocedure in Nederland sinds de invoering van het Wetboek voor Burgerlijke Rechtsvordering in 1838. Het is een ingewikkelde procedure, maar in feite is hij te herleiden tot een driehoeksverhouding tussen de eiser, de gedaagde en de rechter.

Het civiele geding begint hetzij door een request, een verzoekschrift van een burger, hetzij door de dagvaarding die via een deurwaarder wordt uitgebracht. Een voorbeeld van een requestprocedure wordt weergegeven in de zaak van Geessien Hiddingh. De dagvaarding is het geschrift waarbij de gedaagde door de eiser wordt opgeroepen om op een bepaalde dag en een bepaald tijdstip voor een bepaalde rechter te verschijnen vanwege een vordering door de eiser aan de gedaagde. De dagvaarding is méér dan alleen een oproep, ook de vordering van de eiser en de gronden van de vordering zijn erin omschreven.

De rechtszaak van Geessien Hiddingh uit Gasselte, 1911
Op 6 juli 1907 waren te Gasselte gehuwd Jan Mulder en Geessien Hiddingh. Uit dit huwelijk werd een kind Jan geboren. In de marge van de huwelijksakte staat vermeld dat dit huwelijk door echtscheiding ontbonden is. Verwezen wordt naar een vonnis van de arrondissementsrechtbank te Assen van 28 maart 1911.

Het archief van de rechtbank wordt bewaard in het rijksarchief. Via het archievenoverzicht vinden we de toegang op dit archief, met nummer 0107 (betreffende de periode 1878-1937). De eerste stap is te zoeken wanneer de zaak aanhangig is gemaakt. Daarvoor moeten we kijken in de civiele requesten (de verzoekschriften aan de rechtbank om een beslissing). Via het register op de requesten (inventarisnummer 458) komen we bij het betreffende request van Geessien Hiddingh, dat op 28 februari 1911 door de rechter is behandeld. Hij besloot het verzoek te verwijzen naar de zitting van 28 maart. Daar kunnen we vinden welk vonnis de rechter wees.

De procureur, de vertegenwoordiger van de eiser, schrijft ondertussen de rechtszaak in op de rol van de rechtbank. De zaak krijgt een vast rolnummer. De rol is een register van alle zaken die bij de rechtbank aanhangig zijn. Deze rol vormt voor onderzoekers dan ook een belangrijke toegangsweg tot de gezochte rechtszaak.

De behandeling van het geding begint met een schriftelijke fase, gevolgd door een mondelinge fase ter terechtzitting. De eiser en de gedaagde brengen om de beurt via hun procureur schriftelijk hun standpunt naar voren bij de rechter. Deze stukken heten conclusies. Eerst wordt de conclusie van eis voorgedragen. Deze komt gewoonlijk overeen met de inhoud van de dagvaarding. Dan volgt op een latere dag de conclusie van antwoord namens de gedaagde. Dit is een belangrijk stuk omdat de gedaagde zich daarin gemotiveerd verweert tegen de eis. Hij kan niet volstaan met alleen ontkennen, maar moet feiten aanvoeren en bewijs aanbieden. In dit stadium van het geding zijn de feiten erg belangrijk.

De eiser kan vervolgens het betoog van de gedaagde bestrijden via de conclusie van repliek. Het antwoord van gedaagde hierop is de conclusie van dupliek. Omdat er veel tijd kan liggen tussen de schriftelijke conclusies, kunnen processen lang duren. Deze tijdsruimte wordt bepaald door de rechter op advies of op verzoek van de partijen. In de conclusies van re- en dupliek is er veel meer gelegenheid om de achtergronden van het geschil te belichten. Na de vier conclusies is de schriftelijke gedingvoering ten einde.

Maar ook zonder de verwijzing naar een specifieke rechtszitting is te achterhalen welke zaken aan de rechtbank werden voorgelegd. Dat is te vinden in de algemene civiele rol van 1905 tot 1914 (onder inventarisnummer 469). Achterin dit rolboek vinden we een alfabetisch register op familienaam, hier alfabetische tafel geheten. Onder 1911 staat: Hiddingh, Geessien, eiser, 8073. Uit de rol onder nummer 8073 blijkt dat Geessien Hiddingh te Gasselte procedeerde tegen Jan Mulder te Gasselte, dat de gedaagde niet was verschenen en dat de zaak in één rechtszitting was afgehandeld. Op 28 maart 1911 vond plaats: E (dit is de conclusie van eis), O.M. (de conclusie of een andere aanduiding van het openbaar ministerie) en `vonnis bij verstek'.

Nu we het rolnummer weten, kunnen we naar de rechtszitting. Onder inventarisnummer 240 vinden we de civiele vonnissen uit het jaar 1911; de terechtzitting van 28 maart 1911 heeft rolnummer 8073. Daar blijkt dat Geessien Hiddingh, zonder beroep, procedeerde tegen Jan Mulder, zich noemende Jan Mulder jr, landbouwer te Gasselte. Geessien Hiddingh stelde mishandeld te zijn door Jan Mulder. Ze was met een tang op het hoofd geslagen, dit tot bloedens toe en met gevaar voor haar leven. Zij eiste ontbinding van het huwelijk door echtscheiding.

Nu volgt het pleidooi door de advocaat of de rechter `doet recht op de stukken'. De rechtbank verwijst de zaak dan naar de meervoudige kamer (drie rechters). Het pleidooi is van oudsher een mondelinge toelichting (en komt dus niet voor in de processtukken). Daarna is het woord aan de rechter. Na beraad komt deze hetzij tot een tussenvonnis hetzij tot een eindvonnis. Vaak is een tussenvonnis noodzakelijk voor de opdracht om nadere bewijzen te leveren.

De bewijslevering moet door de eiser en de gedaagde geschieden, waarbij de rechter de gewichtige taak heeft om de bewijslast over hen te verdelen. De belangrijkste bewijsmiddelen in het civiele geding sinds 1838 zijn: het schriftelijk bewijs (bijvoorbeeld een akte) en het getuigenbewijs. Juist de getuigenverhoren zijn interessant voor de stamboomonderzoeker. Aan het woord komen mensen uit de omgeving van onze voorouders, mensen die spreken vanuit zien en horen met eigen ogen en oren. Mensen die putten uit eigen kennis en waarneming en dicht bij de concrete gebeurtenissen stonden.

Het vonnis stelt de rechtstoestand tussen de partijen op een bindende wijze vast. Belangrijk is het veroordelend vonnis. Daarbij moet de gedaagde een prestatie verrichten, terwijl de eiser executoriale (uitvoerbare) maatregelen mag treffen. De belangrijkste onderdelen van het vonnis zijn het dictum en de motivering. Het dictum is de eigenlijke uitspraak, en begint meestal met de woorden 'recht doende'. De motivering geeft de toelichting op de uitspraak. Wordt de vordering afgewezen, dan is de uitspraak dat de eiser niet-ontvankelijk is in zijn eis of volgt ontzegging van de eis. Het vonnis wordt uitgesproken in een openbare terechtzitting en schriftelijk vastgelegd. Het originele exemplaar van het vonnis is de minuut. Deze minuut maakt deel uit van het register dat op de griffie van de rechtbank wordt bewaard. Dat heet het audiëntieblad. Audiëntiebladen zijn dus de processen-verbaal van de terechtzittingen met tussen- en eindvonnissen, per jaar, ingedeeld per zitting en liggend op rolnummer.

De partijen kunnen afschriften krijgen van het vonnis, de zogeheten expeditie. Een afschrift in executoriale vorm is de zogeheten grosse voor partijen is, met aan het hoofd: `In naam der Koningin (des Ko­nings)'. Deze kan worden overhandigd aan de deurwaarder om het vonnis uit te voeren.

De vordering van Geesien Hiddingh werd toegewezen, zodat de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding kon worden ingeschreven in de burgerlijke stand. Verder bepaalde de rechter dat op 25 april 1911 de verwanten zouden worden gehoord over de voogdij voor het minderjarig kind.

De beslissing over de voogdij is niet te vinden in de vonnissen, maar in de processen-verbaal. Onder inventarisnummer 431 zijn de processen-verbaal van 1911 opgeborgen. Het verbaal van 25 april 1911 vertelt inderdaad het verhaal van de echtscheiding van Jan Mulder jr en Geessien Hiddingh en de noodzaak tot aanwijzing van een voogd en een toeziend voogd over hun minderjarig kind. Na de ouders en de (met name genoemde) bloedverwanten en aangehuwden te hebben gehoord wijst de rechter de moeder tot voogdes en Otto Hiddingh tot toeziend voogd.
Overigens is het nuttig op te merken dat voogdijzaken in principe worden behandeld door de kantonrechter (zie hierna).

Literatuur
Voor de basisprocedure is er een studiehandboek: P.A. Stein, Compendium van het burgerlijk procesrecht (Deventer 1985). De vele juridische termen worden verklaard in P. Brood en J.E. Ennik, Practisyns woordenboekje of verzameling van meest alle de woorden in de rechtskunde gebruikelijk (Groningen, Den Haag 1996, fotomechanische herdruk van 1785) en N. Algra en H. Gokkel, Fockema Andreae's rechtsgeleerd handwoordenboek (Alphen aan den Rijn 1983).

Competentie van rechtbank en kantongerecht vanaf 1838
Voor u aan een onderzoek in de rechterlijke archieven begint, is het noodzakelijk te weten welke rechter in welke zaken bevoegdheid is. Het gaat dan om de competentie van de rechter. Eerst moet u de territoriale bevoegdheid (of relatieve competentie) kennen. Voor de arrondissementsrechtbank te Assen is het grondgebied eenvoudigweg de provincie Drenthe.

Kantongerechten zijn er thans in Assen (vanaf 1838), Meppel (vanaf 1838) en Emmen (vanaf 1877). Van 1838 tot 1933 was er ook een kantongerecht in Hoogeveen. De inventarissen op de respectieve kantongerechtsarchieven geven voorin een lijst van gemeenten die vallen onder het territoriale rechtsgebied, het kanton, van het betreffende kantongerecht. De hoofdregel is dat de (kanton)rechter in wiens gebied de gedaagde woont, bevoegd is.

Ten tweede is het van belang de absolute competentie van de rechter te kennen: welke rechtbank is bevoegd de onderhavige zaak in behandeling te nemen? De hoofdregel hierbij is eveneens eenvoudig: de arrondissementsrechtbank is het eerst aangewezen gerecht, tenzij een ander gerecht bevoegd is. De arrondissementsrechtbank behandelt zaken zowel in eerste instantie als in hoger beroep van de kantongerechten.

Het zijn niet alleen familiezaken waarover de rechter te oordelen heeft. Stel bijvoorbeeld dat u het onroerend goed van uw voorouders naspeurt en uit familiepapieren blijkt dat er onmin is geweest over een huis. Een onderzoek in het rechtbankarchief maakt het mogelijk de kwestie haarfijn te ontrafelen.

De rechtszaak van Klaas Tissingh uit Ansen, 1912
Geert Bouwkamp, timmerman en kastelein, diende een geldvordering in tegen Klaas Tissingh, veehouder, beiden uit Ansen (in de voormalige gemeente Ruinen). De geldvordering zou zijn ontstaan uit een schuld die voortkwam uit een contract van aanneming van werk. Geert Bouwkamp verrichtte als aannemer verschillende werkzaamheden bij het bouwen van een boerderij voor Klaas Tissingh. Deze boerderij werd opgetrokken aan de straatweg naar Ruinen op de percelen sectie A 1152 en 1432. Klaas Tissingh zou een restant van 353 gulden niet hebben betaald op een totaalrekening van de aannemingsom van 2593 gulden, vermeerderd met de kosten van een bestek en een tekening.

Eerst moet men zich afvragen welke rechter competent was. Aangezien de kwestie de bevoegdheid van de kantonrechter overstijgt (waarover hierna meer), moet de eiser dus naar de arrondissementsrechtbank. Daarna is van belang te weten wanneer de zaak op de rol is gekomen.

Uw onderzoek richt zich op het archief van de arrondissementsrechtbank in Assen (in het rijksarchief, toegangnummer 0107). De eerste stap is te zoeken in de algemene civiele rol van 1905 tot 1914 (onder het inv.nr. 469). Achterin dit rolboek vinden we een alfabetisch register op familienaam, hier alfabetische tafel geheten. Onder het jaar 1912 staat vermeld: Tissingh, Klaas ged. 8375. Dus Klaas Tissingh was gedaagde in een rechtsproces dat het rolnummer 8375 kreeg. Kijkend op de rol onder nummer 8375 treffen we alle bijzonderheden en wordt de omvang van de zaak duidelijk. Immers de rol vermeldt een `korte opgave wanneer de zaak ter rolle gebracht en behandeld en wat daarin geschied is.' De eiser in deze zaak was Geert Bouwkamp te Ansen. De kwestie werd op 24 september 1912 voor het eerst behandeld en stond daarna tientallen keren op de rol (meestal wegens uitstel voor het nemen van de conclusies). Op 17 juni 1913 werd een interlocutoir vonnis (tussenvonnis) uitgesproken, gevolgd door getuigenverhoren op 7 oktober 1913 en op 3 februari 1914. Op 22 september 1914 vond de uitspraak van het eindvonnis plaats. Tot zover de rol.
De rol verwijst ons naar de rechtszitting, waar eiser en gedaagde tegenover elkaar voor het rechterlijk college stonden.

Als tweede stap zoeken we de civiele vonnissen, en wel van de jaren 1912, 1913 en 1914. Deze hebben de inventarisnummers 241-243. Eigenlijk heten de stukken audiëntiebladen, de verslagen van de gewone openbare terechtzittingen, waarbij het uitspreken van het vonnis de laatste zitting is. Via de data van de rol en door af te gaan op het rolnummer en de namen van partijen (Geert Bouwkamp contra Klaas Tissingh) konden we alle zittingen over deze kwestie doornemen, waarbij de getuigenverhoren en het vonnis voor ons doel de meest waardevolle informatie bevatte.

Uit de stukken blijkt dat Klaas Tissingh de eis in allerlei toonaarden ontkent, met als voornaamste argument dat het werk op de gestelde datum van 1 juni 1911 niet was voltooid. Aannemer Geert Bouwkamp zou toen uitdrukkelijk hebben afgezien van voltooiing, zodat Klaas Tissingh een andere aannemer in de arm nam. Geert Bouwkamp, die zijn eis ondertussen tweemaal verlaagde, zou ernstige problemen hebben; volgens een getuige verkeerde hij in staat van faillissement. De verklaring van een andere getuige, een timmerman van 44 jaar, afgelegd op 3 februari 1913 op de contra-enquête (tegenverhoor) van gedaagde, luidde: `Ik heb gewerkt nadat de aannemer het werk had laten liggen, de regenbak schoon­gemaakt en dichtgestreken met specie, de waarneming was dat de muurvlakken van de pompstraat, het privaat en de stookplaats wel waren overgepleisterd, maar niet met gegoten maaskalk en gips, er was gewone kalk en zand gebruikt'.
Het vonnis luidde dat eiser Geert Bouwkamp niet geslaagd was in zijn bewijs en dat de vordering hem ontzegd werd. Daarenboven werd hij veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.

De kantonrechter is bevoegd kennis te nemen van kleinere zaken, waarbij de eis in geld onder een bepaald bedrag ligt. Het kantongerecht heeft verder een bijzondere rechtsmacht voor onroerend goed, pachtzaken en huurzaken. Doorslaggevend is de plaats waar het goed is gelegen. Verder behandelt het kantongerecht arbeidszaken, voorheen veelal loonvorderingen en vorderingen door de werkgever. Ook kent het kantongerecht een eenvoudige rechtsgang voor het innen van kleine geldvorderingen (rechterlijk bevel tot betaling, het vroegere dwangbevel), welk geding bij verweer ook een gewone civiele procedure wordt. Belangrijk voor genealogisch onderzoek is het feit dat de kantonrechter in voogdijzaken beslist.

De voogdij over de kinderen van Warmolt Hidding, 1880
Een voorbeeld van een voogdijzaak. Warmolt Hidding overleed in 1880 in Gasselte op 33-jarige leeftijd, nalatend een vrouw en vier jonge kinderen. Voor hen moest dus voogdij geregeld worden. Onderzoek in het archief van het kantongerecht Assen (toegangnummer 0109) - Gasselte ressorteerde onder dit kantongerecht - leidt naar de serie `akten', de beslissingen van de kantonrechter in niet-contentieuze zaken. Door te zoeken in deze serie (inventarisnummer 19 omvat de akten van 1880) vanaf de overlijdensdatum van Warmolt Hidding (2 juni 1880) treffen we een akte van 4 november van dat jaar, waarin de kantonrechter eerst de met name genoemde verwanten hoort en vervolgens de weduwe, Marchien Meijeringh, tot voogdes benoemt en Otto Hiddingh tot toeziend voogd over de kinderen Otto, Geesje, Jantien en Jan Albert.

De kantonrechter is een alleenzittende rechter. Er is voor de partijen geen verplichte vertegenwoordiging door advocaat of procureur. De procedure is oorspronkelijk opgezet als: eenvoudig, kort en mondeling, maar de gedingvoering is in de praktijk weinig anders dan bij de rechtbank.

Beroepsinstantie na de rechtbank was en is het gerechtshof. Van 1838 tot 1875 had Drenthe een eigen, provinciaal gerechtshof. Sindsdien ressorteert de provincie onder het hof in Leeuwarden.

Het onderzoek in kantongerechtsarchieven kan het beste via de rollen. We zoeken in de inventaris op aanduidingen als `rol' of `rolboeken civiele zaken', die mogelijk gedeeltelijk of geheel zijn voorzien van een alfabetische index op naam. Ook kunnen kladrolboeken van civiele zaken in leemtes voorzien. Een andere weg loopt via de repertoires, chronologische registers, verwijzend naar de vonnissen in de audiëntiebladen en de beslissingen in extra-judiciële zaken. Vervolgens (tweede stap) zoeken we in audiëntiebladen civiele zaken, civiele zaken of civiele vonnissen.
De inventaris van het archief van het kantongerecht Emmen (toegangnummer 0111) bevat een duidelijke inleiding, waarin de procedures en de zoekmethoden helder worden geschetst.

Beschikbaarheid van rechterlijke archieven
Voor rechterlijke archieven geldt dat de stukken jonger dan 75 jaar niet volledig openbaar en vrij te raadplegen zijn. Het uitgangspunt is dat de belangen van in leven zijnde personen dienen te worden beschermd. Wel kan een ontheffing van deze openbaarheidsbeperking worden verzocht. Een ontheffing wordt verleend door de rijksarchivaris. Het rijksarchief kent hiervoor aparte formulieren.

De periode van 1811 tot 1838
Vóór 1838 was de rechterlijke organisatie nog gebaseerd op de Franse wetgeving van 1811. In Drenthe fungeerde als hoogste orgaan de rechtbank van eerste aanleg te Assen, daaronder ressorteerden vier vredegerechten, te weten in Assen, Hoogeveen, Meppel en Dalen. Van alle gerechten zijn de archieven bewaard.
De competentieverdeling van rechtbank van eerste aanleg en vredegerechten was vergelijkbaar met die van na 1838 tussen rechtbank en kantongerechten.

Zoeken naar rechtszaken in het rechtbankarchief in deze periode kan het beste via twee wegen: de audiëntiebladen of de rekesten. Wat er op de zittingen van de rechtbank werd behandeld, staat in de `notulbladen der civile audiëntie' (inventarisnummer 40). Elk van de vijftien delen, waaruit deze serie bestaat, heeft voorin een index op procespartijen. Daarnaast bestaat er onder inventarisnummer 40* een alfabetisch register op de pleitende partijen. Elke partij heeft een vast nummer dat wordt vermeld in de notulen van de zittingen.

Zo vinden we bijvoorbeeld, speurend naar de erfenis van de familie Laving in Zweeloo, in de notulbladen dat de rechtbank in 1823 vonniste in de zaak tussen Lambert Koops en zijn vrouw Jantien Laving in Benneveld enerzijds en Jans Oldenwening en Albertien Laving in Wezup anderzijds. Oldenwening en vrouw wilden een scheiding en deling van de nalatenschap van de overleden Jan Laving en hadden zich dientengevolge de helft van het gemaaide zaadgewas toegeëigend. Koops en vrouw eisten nu voorlopige opslag van dit gewas totdat de scheiding en deling geregeld was. De rechter ging accoord met dit verzoek en beval dat het gewas opgeslagen werd op het boerenerf waar het gemaaid was. (Rechtbank van Eerste Aanleg, inv.nr. 40, deel 3, fol. 1113).

Veel beslissingen nam de rechter ook op ingediende verzoekschriften. Deze serie rekesten bevindt zich in inventarisnummer 46 en is genummerd. Een nadere toegang ontbreekt helaas.

De periode vóór 1811
In de periode vanaf 1811 is de rechterlijke organisatie in Drenthe zeer herkenbaar voor hedendaagse begrippen. In wezen was deze organisatie sinds 1811 zoals zij thans nog is. Maar in de eeuwen voordien was de rechtspraak in Drenthe geheel anders geregeld. Tot het jaar 1791 was sprake van oude rechterlijke instellingen als de lotting van de Etstoel (het Drentse gerechtshof vóór 1791) en de goorsprake (de dingspilsgewijze rechtszitting). Bovendien bestonden er binnen de grenzen van Drenthe enkele heerlijkheden met afwijkende rechtsregels.
Aan de hand van een aantal voorbeelden zullen we de methodiek van onderzoek in rechterlijke archieven vóór 1811 uiteenzetten.

Niet nagekomen trouwbeloften, 1789
Een van uw voorouders, zo is uit uw genealogisch onderzoek gebleken, is Hendrik Veenings. U hebt in het trouwboek van Westerbork gevonden dat Hendrik, afkomstig van het gehucht Bruntinge, in 1798 huwde met Marchyn Jansen, wonend in Zwiggelte. Al bladerend door de protocollen van de Etstoel trof u diezelfde Hendrik Veenings aan als eiser in een rechtszaak in 1789. Aangezien het vonnis uitvoerig is weergegeven in het protocol (deel 65, folio 225v-227v - kopieën van de etstoel-protocollen staan in de studiezaal van het rijksarchief in zelfbediening), hebt u de gelegenheid een kijkje te nemen in het verrassende privé-leven van uw voorvader.

Hendrik Venings bracht als eiser op de lotting, de rechtszitting van de Etstoel naar voren dat hij en Jantien Jans Maats uit Eursinge al langer dan zes jaar met elkaar verkeerden en door een ieder als `verloofd' werden beschouwd. Twee jaar voordien had hij de verkering onderbroken, omdat zijn broer belangstelling toonde voor Jantien. Jantien had echter de draad weer opgepakt en bovendien van Hendrik enig `geld op trouw' ontvangen. Dit geschenk was een bewijs van de verloving. Anders dan tegenwoordig kon toen voor de rechter nakoming van een verloving, die een trouwbelofte inhield, geëist worden.

Jantien Jans Maats bekende dat zij wel geld had ontvangen, echter onder de voorwaarde dat haar moeder en verdere familie niets tegen het huwelijk hadden. Maar dat was wel het geval. Bovendien had Hendrik vrijerij gehad met ene Aaltien Nijens, welke verkering `bij allerhande gelegenheden en in veelvuldige gezelschappen, markten, spinmalen, bruiloften, verkopingen en andersints tot in den somer deses jaars (1789) had gecontinueert, en welke familiariteit zig zo verre had uitgestrekt, dat impetrant (eiser) haar niet alleen gezoent, maar ook met haar geraast, gestoeit en op een bed begeven en in het eenzame geretireert hadde', aldus Jantien. Hieruit mocht toch wel blijken dat er van verloving tussen Hendrik en Jantien geen sprake meer was.

In repliek stelde Hendrik als eiser dat aanneming van geld op trouw het bewijs is van trouwbelofte en dat hij dus nakoming van die belofte mocht verlangen. Achter zijn verkering met Aaltien Nijens moest men niets zoeken, `dat het zoenen en stoejen van jeugdige personen zeer gewoon op kermissen, spinmalen, bruiloften en diergelijke vrolijke gezelschappen' was en dat het helemaal niet als `hoererij en overspel' kon worden bestempeld.

In dupliek bleef Jantien volhouden dat Hendrik zich zo zedeloos met andere vrouwen had gedragen en zich zo lang van verkering met haar had onttrokken, dat er van een verbintenis geen sprake meer was.
Hoe de overwegingen van de Etstoel zijn geweest, vermeldt het vonnis niet. De uitspraak is evenwel zonneklaar: de eis van Hendrik Veenings wordt ongefundeerd verklaard en dus afgewezen. Jantien hoefde niet te trouwen met Hendrik.

Deze rechtszaak, die een intieme blik in het verleden gunt, is één van de vele zaken die Drenthes gerechtshof, de Etstoel, behandeld heeft.

Sinds de late Middeleeuwen was de Etstoel van Drenthe voor de inwoners van de Landschap Drenthe het hoogste rechtsprekend orgaan. De Etstoel bestond uit de drost (of diens vervanger, de assessor) en 24 etten. Deze etten waren lekenrechters, gezworen ingezetenen, die gekozen waren uit het volk om recht te spreken. Elk van de zes dingspillen vaardigde vier etten af. Deze zes rechtsdistricten waren Noordenveld, het Beilerdingspil, het dingspil Oostermoer, het Rolderdingspil, het Dieverderdingspil en Zuidenveld. De rechtszittingen van de Etstoel, de lottingen, werden aanvankelijk driemaal en vanaf 1659 tweemaal per jaar gehouden. De zomer- en de winterlottingen duurden in de achttiende eeuw een paar weken.

In burgerlijke zaken sprak de Etstoel recht in
1. zaken als erfkwesties, huwelijksgoederenrecht, trouwbeloften, persoonlijke geschillen als belediging, enz. (in eerste instantie);
2. rechtszaken (klachten) die op de goorspraken waren aangevangen en voor de Etstoel werden voortgezet;
3. hoger beroep en revisie (herziening).

De rechtspraak stoelde op het Landrecht van Drenthe, op schrift gesteld in 1412, gewijzigd in 1614 en 1712. Daarnaast werd in toenemende mate andere regelgeving van kracht.
De procedure voor de Etstoel was voor de civiele kwesties een mondelinge procedure die zoveel mogelijk in een zitting werd afgehandeld. Dus: achtereenvolgens de conclusies van eis, antwoord, re- en dupliek, de geheime beraadslaging en de uitspraak. In sommige gevallen werd een commissie benoemd om de zaak verder te brengen.

Kwesties die de Etstoel beoordeelde, geven een schat aan gegevens over personen, hun gezinnen, hun familie en onderlinge verhoudingen in de dorpen. Verreweg de belangrijkste bron wordt gevormd door de serie lottingsprotocollen (archief van de Etstoel, toegangnummer 0085, inventarisnummer 14), waarin alle civiele zaken vanaf 1609 tot 1791 opgetekend zijn. In elk protocol staat voorin of achterin een eenvoudige alfabetische lijst van meestal de eisende partijen.

De erfenis van Roelof Dolfing, 1733
Op vele lottingen moest de Etstoel oordelen over erfeniskwesties. Vaak worden in het verbaal van de zitting de familierelaties uiteengezet. Op de zomerlotting van 1733 diende de rechtszaak, aangespannen door de erfgenamen ab intestato (buiten testament) van hun oom en zwager Roelof Dolphinge uit Orvelte. Zij procedeerden tegen Claas Luichiens te Orvelte. Deze was in het bezit van de boedel van wijlen zijn stiefvader Roelof Dolphinge. Beide partijen meenden recht te hebben op de gehele erfenis.

Op 4 december wees de Etstoel een aantal gecommitteerden aan om te trachten partijen in der minne te schikken. Op 11 december 1733 deed deze commissie uitspraak en bepaalde dat Claas Luichiens duizend gulden moest betalen aan de andere erfgenamen. Geen van de partijen was het met deze tussenoplossing eens. De zaak kwam op 24 juni 1734 in beroep voor de volle Etstoel, die alvorens te beslissen rechtsgeleerd advies van een `onpartijdigh reghtsgeleerde' wilde hebben. Het advies werd verstrekt door de jurist Quirinus Beeltsnijder uit Rolde. Op 12 juli 1735 gaf de Etstoel uitspraak in appel en wees de eis van de klagers toe. Zij hadden dus recht op de gehele nalatenschap.

Familieverhoudingen in de rechtszaak voor de Etstoel van Drenthe van Hinderickien Meinderts en consorten tegen Claas Luichiens uit Orvelte, 1733-1735

Jantien Willems                               trouwt                      Roelof Luichies (overleden)
                                        zoon Claas Luichiens
                                en drie andere kinderen, van wie
                                   de jongste in 1677 zeven jaar
                                                     oud is

Jantien Willems                             hertrouwt                  Roelof Dolphinge (overleden)
                                          huwelijkscontract en           van ouderlijke erfenis afgekocht
                                         eenkindschapscontract          voor 1000 gld. en een koe
                                         d.d. 20 november 1677
                                           kinderloos huwelijk


In 1733:
stiefzoon Claas Luichiens bezit de boedel van Roelof Dolphinge en eist erfenis op grond van eenkindschapscontract en adoptie

In 1733:
Hinderickien Mein­derts, wed. Roelof Coops te Bor­ger,
Jantien Haghtinge x Harmen Oostinge te Bor­ger,
Hinderick Haghtinge te Drouwen,
Hinderick Grootjans te Orvelte,
Arent Haghtinge te Drouwen,
Jantien Grootjans x Luichien Jans te Wildervank,
Jan Dolfinge te Orvelte en Hinderick Dolfinge te Orvelte,
naaste erfgenamen ab intestato (zonder testament) van hun oom en (schoon)broer eisen in 1733 de erfenis ter onderlinge verdeling

(Archief Etstoel, inv.nr. 14, deel 44, fol. 120, 148-149r, 223v-224, inv.nr. 15 (rechtsgeleerd advies))

De rechtszaak van Otte Woltinge uit Wijster, 1757
Ook geschillen betreffende goederen behoorden tot de rechtsmacht van de Etstoel. De kwestie over de windmolen in Wijster moge als voorbeeld daarvan dienen.
Uit het lottingsprotocol valt de zaak als volgt te reconstrueren. Otte Woltinge trad op de zomerlotting van de Etstoel van 1757 op als verzoeker (impetrant) in de klachtzaak tegen Jan Berens Mulder uit Wijster (gerequireerde). Otte Woltinge was voor een vierde deel eigenaar van de windmolen te Wijster, terwijl Jan Berens Mulder met zijn kinderen voor drie vierde deel eigenaar was. Zij hadden ernstige onenigheid over het beheer van de mandelige (gezamenlijke) molen. In zijn conclusie verweet Otte Woltinge Jan Berens Mulder onder meer dat deze noch bekwaam noch dienstvaardig was: `somwijlen seer onbequaam en niet gerijfelijk ... om de ingesetenen voort te helpen.'

De uitspraak van drost en etten was dat de partijen een jaar lang volgens een voorlopig accoord zouden werken. Voldeed deze regeling niet, dan zou een commissie van twee etten plus de landschrijver een uitspraak cum plena (met volle rechtsmacht) doen. Het vonnis van 11 februari 1758 hield in dat Otte Woltinge twee weken achtereen op de molen zou malen en Jan Berens Mulder zes weken, dat ieder de inkomsten uit de eigen maalperiode zou genieten, dat het koren voor de eigen huishouding vrij was van `hugt' (=maal­loon) - ook al zou de ander het malen -, dat alle gereedschap en de zeilen mandelig betaald en gebruikt zouden worden, dat Jan Berens Mulder 17 gulden diende te vergoeden aan Otte Woltinge omdat deze geheel voor zijn rekening nieuwe zeilen had moeten laten maken, dat de molenstenen volgens aandeel geslepen werden en dat het verboden was om het koren eigenmachtig bij de boeren op te halen.
Aldus trachtte de Etstoel de rust in het dorp Wijster te herstellen.
(Archief Etstoel, inv.nr. 14, deel 52, folio 189, 190, 231)

Aan het einde van de lotting vond steeds de behandeling van faillissementen plaats, de grasvellige boedels. Het landrecht van 1712 gaf schuldeisers de mogelijkheid bij de Etstoel te verzoeken om betaald te worden door hun debiteur. Was deze daartoe niet in staat of bereid, dan kon de landschrijver als curator bonorum de goederen en gelden van de debiteur beschrijven. De Etstoel bepaalde op de lotting welke schuldeisers uit het tegoed betaald werden.

De failliete Jan Steen uit Anloo, 1745
Na beschrijving van de `grasvellige boedel' van Jan Steen in Anloo verklaarde de Etstoel op de zomerlotting van 1745 dat de verdeling zou zijn:

  • aan de schatbeurder de achterstallige belastingen;
  • aan Harmen Coops en de erven Witsenborgh achterstallige pacht;
  • aan Albert Harmens een jaar dienstbodenloon (36 gulden);
  • aan de heer van Oldengaerde achterstallige huur;
  • aan Henderickje Egberts de uitbetaling van een schuldbekentenis.

Daarmee was de boedel `geabsorbeert', aldus de Etstoel. Het geld was op en andere schuldeisers visten achter het net.
De stukken betreffende de behandeling van faillissementen door de landschrijver bevinden zich in het Etstoel-archief van de Etstoel onder de nummers 136-140.

Literatuur
Een overzicht van de rechtspraak vóór 1811 geeft H.G.G. Becker, `De organisatie van de rechtspraak in Drenthe vóór 1811', in: R.H. Alma en W.E. Goelema (red.), Rechtspraak in Drenthe (Groningen 1995) 8-42.

Rechtspraak gedurende de jaren 1791-1811
In 1791 werd de Etstoel vervangen door een professionele rechtbank: drossard en raden in den hove van justitie. De drost was voorzitter, de landschrijver was griffier en de rechters waren acht raden die allen jurist waren. De eeuwenoude benaming Etstoel bleef echter ook in gebruik.

De Bataafse tijd zorgde voor een snelle wisseling van rechterlijke instellingen. Zo werd Drenthe in 1799 toegevoegd aan het departement van de Oude IJssel, waarvan het gerechtshof in Kampen stond. In 1802 schiep het departement opnieuw een hof van justitie voor Drenthe, welke rechtbank weer de Etstoel heette. Tot de inlijving van Nederland bij het Franse keizerrijk in 1811 bleef deze situatie gehandhaafd.

Beschikbaarheid
De archieven van de rechtbanken uit de Bataafse tijd zijn als een geheel met het archief van de Etstoel bewaard gebleven (toegang nummer 0085). De lottingsprotocollen, meestal voorzien van een naamindex, geven de behandelde civiele zaken weer.

Literatuur
M.W. van Boven, De rechterlijke instellingen ter discussie: de geschiedenis van de wetgeving op de rechterlijke organisatie in de periode 1795-1811 (Nijmegen 1990).

Waarvoor diende de goorsprake?
Voorafgaande aan de lottingen van de Etstoel werd in ieder van de zes dingspillen in Drenthe de goorsprake gehouden. Onder voorzitterschap van de landschrijver, die fungeerde als secretaris en rondreizend rechter, kwamen per dingspil volmachten uit alle buurschappen bijeen in een van de kerkdorpen.
Op de goorsprake diende een ingezetene een klacht in, werd het geschil uiteengezet, voorzien van een eis, eventueel een tegeneis bij ontkenning, en werd het verhandelde - het actum - op schrift gesteld. Voor verdere behandeling werd men doorverwezen naar de Etstoel, mits partijen dit wensten. Op de goorsprake werden velerlei geschillen aangebracht.

Op de goorsprake, gehouden op 3 maart 1744 in Dalen, stelde Jan Heppinge te Aalden een klacht in tegen Anthony Meertens te Noordsleen. De laatstgenoemde was de echtgenoot van Willemtien, de weduwe van Hendrick Geerts, eerst te Aalden, toen te Noordsleen gevestigd. Jan Heppinge vorderde de levering van vaste goederen op grond van een koopovereenkomst. De kooppenningen zouden reeds zijn betaald. De zaak werd ter beslissing verwezen naar de Etstoel.
Op de lotting zijn partijen evenwel niet te vinden, zodat ze waarschijnlijk onderling de kwestie geregeld hebben.
(Archief Etstoel, inv.nr. 134, voorjaarsgoorsprake 1744 te Dalen)

Direct zoeken naar civiele rechtszaken, dus naar klachten, van voorouders op de goorsprake kan een lange weg zijn. Met alleen een familienaam, een woonplaats van de voorouder en een bepaalde periode als gegeven is het doornemen van alle goorspraken in het dingspil waartoe de woonplaats van uw voorouder behoort, de enige weg. Als de zaak na de goorspraak voor de Etstoel is behandeld, is terugzoeken vanuit de Etstoel in de goorspraken eenvoudiger.

De goorspraakregisters zijn te vinden in het archief van de Etstoel (inv.nr. 134). Van de periode van 1698 tot 1810 bevinden zich daar de per dingspil gebundelde klachten en aanbrengen. De aanbrengen betreffen overtredingen en worden bij de strafrechtspraak besproken (zie hoofdstuk 6).

Mocht u erin slagen uw voorouders tot in de zestiende eeuw terug te vinden, dan staan ook de oudste Etstoelprotocollen en goorsprakenregisters tot uw beschikking. Gelukkig zijn deze in druk uitgegeven en voorzien van naamregisters, hetgeen in ieder geval het zoeken en lezen aanmerkelijk vereenvoudigt.

De vonnissen van de Etstoel zijn uitgegeven door F. Keverling Buisman, Ordelen van de Etstoel van Drenthe, 1399-1447 en Ordelen van de Etstoel van Drenthe 1450-1504 (1518) (Zutphen 1987 en 1994), alsmede door J.G.C. Joosting, Ordelen van de Etstoel van Drenthe 1518-1604 ('s-Gravenhage 1893).
De goorspraken werden uitgegeven als Goorspraken van Drenthe in vijf delen: 1563-1565, 1572-1577, 1577-1579, 1583-1589 en 1598-1602 ('s-Gravenhage 1928-1943).

Naamindices zijn te vinden in de twee door Keverling Buisman uitgegeven boeken. Op de Ordelen 1518-1604 alsmede de Goorspraken is een naamindex te vinden in J. Heringa e.a., Drentse rechtsbronnen (Zutphen 1981). In dit werk bevinden zich ook de uitgave van een supplement op de ordelen van de Etstoel (1505-1579) en de goorspraken over de jaren 1594-1596.

Civiele gedingen in de heerlijkheden op Drents grondgebied
Tot 1795 waren er op het grondgebied van Drenthe enkele heerlijkheden, die eigen regels hadden, onder andere ten aanzien van de rechtspraak in civiele zaken.

1. De heerlijkheid Ruinen en Ruinerwold bestond al sinds de Middeleeuwen. De heerlijkheid Ruinen werd in 1768 aangekocht door de Landschap Drenthe, maar de rechtspraak bleef tot 1795 afzonderlijk.
De heer van Ruinen hield rechtszittingen voor civiele (en criminele) zaken in Ruinen en apart in Ruinerwold. Beroep van vonnissen van de heer was mogelijk op de Etstoel. Vanaf 1654 werd dit gegoten in de vorm van revisie (herziening van de gewezen vonnissen). De door hem gewezen vonnissen kunnen we zoeken in het archief van de heerlijkheid Ruinen (toegangnummer 0605), inventarisnummers 154-159.

2. De heerlijkheid Echten en Echtens Hoogeveen. Vanaf 1626 sprak de heer van Echten recht, uitsluitend in civiele zaken, wanneer er onderlinge kwesties waren tussen bewoners van zijn gebied: `alle questien ende verschillen civil wesende tusschen den veenluyden aldaer vallende.' Ook boetstraffelijke zaken werden behandeld, omdat de boete op overtredingen werd geïnd als een burgerlijke schuld. Verwijzing van rechtszaken naar de lotting van de Etstoel alsook beroep op de Etstoel door partijen was mogelijk.

Het zoeken naar rechtszaken van voorouders is mogelijk in het huisarchief Echten (toegangnummer 0614). De heer van Echten hield lottingen en goorspraken, waarvan de schriftelijke neerslag bewaard gebleven is (inventarisnummers 842 en 843).

3. De heerlijkheid Hoogersmilde werd in 1634 in het leven geroepen. Raadpensionaris van Holland Adriaen Pauw verkreeg de hoge en lage rechtspraak in civiele en criminele zaken in het gebied van de venen rond Smilde.

De heren van Hoogersmilde hebben geen administratie van de rechtspraak bijgehouden; ze hebben althans niets nagelaten. Slechts over een beperkt aantal processen is in hun archief iets te vinden (toegangnummer 0602).,

4. De heerlijkheid Coevorden. Vanaf de middeleeuwen was de vestingstad Coevorden een heerlijkheid onder het gezag van de drost als heer. Coevorden vormde in die zin een uitzondering in Drenthe, dat in burgerlijke zaken rechtspraak plaatsvond volgens het Overijsselse Landrecht. Hoger beroep was mogelijk op de Klaring van Overijssel.

De neerslag van de rechtspraak in Coevorden is te vinden in de resolutieregisters van het stadsbestuur, die vanaf 1618 bewaard zijn. In het archief van Coevorden (in het rijksarchief, toegangnummer 0116) zijn deze registers te vinden als inventarisnummers 1-33. Het archief van de Klaring berust in het Rijksarchief in Overijssel.