5. Waar vind ik mijn armlastige familie?

Armoede is van alle tijden en ook in Drenthe heeft armoede zich altijd gemanifesteerd. De bestrijding ervan was overwegend een zaak van lokale (veelal kerkelijke) autoriteiten. Pas de algemene werking van het stelsel van sociale wetgeving van ver na de Tweede Wereldoorlog maakte in grote trekken een einde aan structurele ernstige sociale misstanden.

De armoede van onze voorouders levert voor de tegenwoordige genealogische onderzoeker interessante mogelijkheden op om hen te traceren en nader zicht te krijgen op hun leven. Voor wie werkelijk niet in het eigen onderhoud kon voorzien, waren er, variërend per plaats of regio, mogelijkheden om ondersteuning te genieten. Veel moet men zich daar niet van voorstellen, maar de behoeftige kreeg dan een paar stuivers om te kunnen overleven, en soms waren er armhuizen waar men kon verblijven als men zelfs niet in staat was door middel van betaalde arbeid in het eigen onderhoud te voorzien.

Ook bij het thema armenzorg geldt: naarmate men dieper in het verleden duikt worden de gegevens schaarser. Informatie over Drentse armenzorg vinden we vanaf de zeventiende eeuw. Voor wie naar Drentse voorouders zoekt in samenhang met armenzorg is het van belang enig onderscheid te maken tussen de negentiende eeuw vanaf ruwweg 1850, en de periode die daaraan voorafging vanaf ruwweg 1600. In de negentiende eeuw begon armenzorg in toenemende mate gezien te worden als een overheidstaak, terwijl het voorheen vrijwel louter een aangelegenheid was van de plaatselijke diaconieën der kerkelijke gemeenten. Het verschil tussen de periodes voor en na ruwweg 1850 toont zich enigszins in de aard van het bronnenmateriaal.


PLAATSELIJKE ARMBESTUREN
Voor de genealoog die op zoek is naar armlastige Drentse voorouders, zijn diaconiearchieven een rijke bron van informatie. Waar elders in Nederland naast elkaar opererende plaatselijke armbesturen van hervormde, katholieke en burgerlijke signatuur niet ongebruikelijk waren, geldt voor Drenthe dat vrijwel elk plaatselijk armbestuur samenvalt met de hervormde diaconie. Pas in de negentiende eeuw ging de overheid zich er in toenemende mate mee bemoeien en ontstond een wisselwerking tussen kerkelijke en burgerlijke armenzorg, maar nog steeds bleef de praktijk van de armenzorg overwegend in diaconale handen.

Diaconieën
Tijdens de Republiek was de wijze waarop de armenzorg moest worden verricht vastgelegd in de Kerkenordes van 1638 en 1730. Het Landschapsbestuur had reeds in 1613 bepaald dat de diaconie in elk kerspel de armen moest bedelen, en dat slechts indien de diaconale middelen daartoe ontoereikend waren, er een subsidieverzoek aan de Landschapsoverheid mocht worden gericht (overigens zonder garantie dat zo'n verzoek zou worden ingewilligd). De kerkenordes waren in belangrijke mate een formalisering van deze situatie. Overigens hield het Landschapsbestuur zich ook wel in meer directe zin met armenzorg bezig (door incidentele subsidies), maar voor de genealoog is in het algemeen de diaconale armenzorg van maatgevend belang.

De diaconieën organiseerden al in de zeventiende eeuw de financiële ondersteuning (ook wel bedeling) van armen (alumni genoemd indien onderhevig aan permanente bedeling), en probeerden in het algemeen een ieder die zich niet zelf in leven kon houden te voorzien van middelen voor voeding, onderdak en dergelijke. We weten bijvoorbeeld dat de diaconie van Coevorden al in 1606 aan specifiek genoemde personen hulp verleende. Ook bezaten sommige diaconieën gebouwen waar de meest weerloze armen onderdak kregen (en soms lichte werkzaamheden moesten verrichten): armenhuizen. De financiële administratie werd in de praktijk verricht door de diaken-boekhouder. Daar diaconieën vrijwel volledig afhankelijk waren van giften, werd er zoveel mogelijk naar gestreefd de financiën gezond te houden.

Het geven van bijstand aan armen en behoeftigen geschiedde niet zonder controle van de omstandigheden waarin zij verkeerden, waarbij tevens een kritisch oog werd gericht op de levenswandel van betrokkenen. Dientengevolge vinden we in diaconiearchieven niet alleen gegevens over de financiële situatie van mensen, maar zo nu en dan ook gegevens over hun levenswijze. Tevens bevatten de diaconiearchieven informatie over de herkomst van personen.

Uytgave an vremde armen ende passanten
Den 23 Mayus 1654 gegeeven an een man die seeck (ziek) uyt die Kuynder quam van sijn arbeit - 8 stuivers
Den 30 Mey an een pastoors weduwe - 1 gulden 4 stuivers
Den 7 Junii an een arm man met een ventien (zoontje) uyt Vrieslant - 6 stuivers
Den selven dito an een hogeduytse vrouw - 6 stuivers
Den 18 dito gedaen an een arm man die nae Hamborch reysede - 5 stuivers

(Archief Hervormde gemeente Assen, uitgavenboek van de diaconie, inv.nr. 183)

De wet van 1818
Pas in de negentiende eeuw ging de rijksoverheid zich feitelijk met de armenzorg bemoeien. In 1818 maakte het nog jonge Koninkrijk de armenzorg tot staatszaak, zonder echter zelf verplichtingen aan te gaan waarvoor de staat diep in de buidel zou moeten tasten. De Wet van 28 November 1818, houdende bepalingen tot aanwijzing der plaats waar de Behoeftigen in den algemeenen onderstand deelen kunnen (in de wandeling de `Wet van november 1818' genoemd) bepaalde dat in beginsel iemands geboorteplaats de plaats was waar steun verkregen kon worden, en voorts gold dat indien iemand tenminste vier jaar ononderbroken in een bepaalde gemeente had gewoond en daar alle belastingen had betaald, die gemeente verantwoordelijk was voor de bedeling van betrokkene indien deze tot armoede was vervallen. De nieuwe regels lieten veel ruimte aan armbesturen om mensen te verwijzen naar hun plaats van herkomst; voor de genealoog kan de hieruit voortvloeiende (en soms zeer uitgebreide) correspondentie van belang zijn.

Burgerlijke armbesturen
De directe bemoeienis van burgerlijke gemeenten werd geregeld in 1834, toen van overheidswege het provinciale Reglement op de invoering van Burgerlijke Arm-besturen in de Provincie Drenthe werd ingevoerd. Hierin was vastgelegd dat ook de gemeentelijke overheden een taak hadden in de armenzorg. Weliswaar bleef in beginsel de steun aan armen en behoeftigen in handen van de kerkgenootschappen waartoe zij behoorden, maar wanneer diaconieën onvoldoende financiële middelen zouden hebben, zouden ze een beroep mogen doen op de kas van de gemeentelijke overheden.
Daar de diaconieën hun verantwoordelijkheden niet graag uit handen gaven, meldden ze zich niet snel bij de gemeenten; pas vanaf het einde van de jaren '40 van de negentiende eeuw (toen het aantal armen substantieel bleek te stijgen) kreeg de gemeentelijke bemoeienis meer inhoud. Weliswaar probeerden de diaconieën zoveel mogelijk financiële invloed te houden in de armenzorg, maar de stijging van het aantal armen (tussen 1829 en 1844 was hun aantal met 60% gegroeid) noodzaakte hen in toenemende mate een beroep op de gemeenten te doen.

De toenemende financiële druk van het aantal armen leidde ertoe dat in sommige gemeenten burgerlijke armbesturen werden ingesteld, en tevens probeerden zowel diaconieën alsook gemeenten hun verantwoordelijkheden af te schuiven. De genealoog moet hiermee terdege rekening houden, want diaconieën en gemeenten verwezen nu steeds vaker naar de wet van 1818.

Overigens is het bepaald niet zo dat de diaconieën na ruwweg 1850 uit beeld verdwenen; de gemeentelijke betrokkenheid nam weliswaar toe, maar nog gedurende de gehele negentiende eeuw (en zelfs tot in de twintigste eeuw) bleven de diaconieën actief in de armenzorg. Het is hier voor de genealoog van belang te weten dat burgerlijke armbesturen in Drenthe bepaald niet als paddestoelen uit de grond schoten; tot ver in de negentiende eeuw was hun aantal zo gering dat een uitgebreide omschrijving van hun werking hier niet op zijn plaats is; de genealoog wordt aangeraden het bestaan van een burgerlijk armbestuur in een voor hem relevante gemeente zelf te controleren; de burgerlijke armen-administratie. Ook hier geldt: notulen en correspondentie van diaconieën en gemeenten kunnen gegevens bevatten over behoeftige voorouders voor wie men de financiële zorg wilde afschuiven of verrekenen.

De hongerjaren
Rond het midden van de negentiende eeuw heerste er zo'n omvangrijke armoede (die nog door slechte oogsten werd verergerd), dat de rijksoverheid nu een einde wenste te maken aan de afschuifstrategieën van gemeenten en diaconieën. Dit resulteerde in 1854 in de Wet tot regeling van het Armbestuur (in de wandeling de `Armenwet 1854' genoemd). Hierin werd iemands plaats van onderstand ondubbelzinnig gedefinieerd als iemands geboorteplaats. Aangezien de uitleg van die wet in de praktijk nog steeds betekende dat burgerlijke armbesturen alleen steun behoefden te verlenen als geen enkele kerkelijke instantie zich om een persoon bekommerde, bleef diaconale zorg maatgevend. Dit werd versterkt door het in 1857 van kracht geworden Synodaal Reglement voor de Diaconieën der Nederlandsche Hervormde Kerk, dat bepaalde dat diaconieën zorg moesten dragen voor de armen die in het kerkelijk ressort van hun gemeente woonden. Anders gezegd: het probleem van de afschuif-strategieën van de verschillende instanties werd gecontinueerd, met als gevolg dat opnieuw de diaconale en gemeentelijke notulen en correspondentie voor de genealoog van belang kunnen zijn om gegevens te verkrijgen over armlastige voorouders. Pas in het begin van de twintigste eeuw kwam armenwetgeving waarmee de rijksoverheid zelf structureel geld beschikbaar stelde voor armenzorg.

Literatuur
Voor uitgebreid inzicht in de archivalische omgang met diaconiearchieven wordt aangeraden: H. Gras, Diaconiearchieven als bron: een gids voor historisch onderzoek samengesteld op basis van archivalia en inventarissen van de Hervormde gemeenten in Drenthe (Assen 1988). Zie over de organisatie van de armenzorg H. Gras, `Het rendementsprincipe in de Drentse armenzorg', Ons Waardeel (1985) 26-32. De moeilijke jaren halverwege de negentiende eeuw zijn beschreven door H. Gras, `De hongerjaren', Ons Waardeel (1988) 14-19.

Bronnen
Aangezien ook Drenthe in de loop der eeuwen veel armen heeft gekend, kan de genealoog met een beetje geluk vruchtbaar onderzoek doen in diaconie-archieven. Overigens kan het voorkomen dat diaconale stukken `afgedwaald' zijn en bijvoorbeeld deel uitmaken van een kerkeraadsarchief. Voor wie op zoek is naar minvermogende voorouders is niet het complete archief van een diaconie van belang. U doet er verstandig aan diaconale notulen en brievenboeken door te nemen teneinde een algemeen beeld van de verrichtingen der diaconie te krijgen (waarbij men heel wel kan stuiten op gegevens over voorouders). Vervolgens kunt u zich concentreren op stukken die specifiek op de diaconale armenzorg betrekking hebben: borgstellingen, insinuaties, stukken die betrekking hebben op wat tegenwoordig wel lastenverlichting wordt genoemd, alsmede bedelingsregisters en uitbestedingsregisters.

1. Notulen en correspondentie kunnen gegevens bevatten over armlastige voorouders die financiële steun van een diaconie of een burgerlijke gemeente genoten. Notulen ofwel handelingen geven inzicht in wat er tijdens vergaderingen besproken en eventueel besloten is. Helaas zijn uitgebreide notulen van diaconale vergaderingen schaars in de Drentse diaconie-archieven. Beknopte notulen kunnen wel een aantal malen worden aangetroffen. Van verschillende Drentse gemeenten kunnen de notulen van het college van Burgemeester en Wethouders voor de genealoog van belang zijn. Het belang van notulen is dat daarin in beginsel, hoe uitgebreid of beperkt ook, alle werkzaamheden van een diaconie of gemeente teruggevonden moeten kunnen worden. Evenals in notulen kan ook in de correspondentie van een diaconie of gemeente over bedeelden gesproken worden. De genealoog doet er dus verstandig aan te zien of er brievenboeken zijn: brieven die ontvangen of verzonden zijn, bijeengevoegd tot bundels of boeken.

2. Borgstellingen, ook wel akten van borgtocht of akten van indemniteit genoemd, werden in 1775 door het Landschapsbestuur verplicht gesteld. Niemand mocht een huis, erf, woning of kamer verhuren aan personen of gezinnen van buiten de Landschap zonder de plaatselijke diaconie een akte van borgtocht te bezorgen. Daarin garandeerde de diaconie van herkomst dat indien betrokkene binnen zes jaar tot armoede zou vervallen, diezelfde diaconie van herkomst voor bedeling zou zorgdragen. Werd zo'n borgstelling niet ingeleverd dan moest de verhuurder zelf voor de borg instaan: 300 gulden voor een gezin en 150 gulden voor één persoon. Bij het ontbreken van een borgtocht moesten de diakenen deze zelf binnen zes maanden invorderen. Weigerde de verhuurder te betalen dan werden zijn huurders van overheidswege over de landschapsgrens gezet, op kosten van de weigerachtige verhuurder. Een voor de genealoog belangrijke vuistregel is dat waar een diaconie of een verhuurder geen middelen had of wilde geven, de diaconie van herkomst (dit heet wel: domicilie van onderstand) aansprakelijk was voor de bedeling van de armlastige voorouder. In 1818 werd het systeem van de akten van borgtocht afgeschaft. De akte van borgtocht geeft dus ook informatie over woonplaats, herkomst en gezinssamenstelling.

De diakenen van Oosterwolde verbinden zig mits dezen aan de diakenen van Norgh, om Japik Lutis, scheper te Langelo, en zijne huisvrouw Aaltje Wigbolts met hunne kinderen, in cas van onverhoopte armoede, onder de diakonie van Oosterwolde als alumnen aan te nemen en, zonder bezwaar van de diakonie van Norgh, met nodig onderhoud te voorzien. Oosterwolde, den 12 Junii 1787. Roelof Roelofs als diakens, Jannes Luttis als diakens.
(Archief Hervormde gemeente Norg, inv.nr. 16).

3. Insinuaties inzake armlastigheid waren ambtelijke aanzeggingen namens een diaconie aan andere diaconieën of aan particulieren, waarin deze aansprakelijk werden gesteld voor het onderhoud van personen indien die tot armoede zouden vervallen. Soms werd een insinuatie ook wel `exploot' genoemd. Het opmaken en ondertekenen van een insinuatie behoorde formeel tot de taken van de schulte, maar in de praktijk was het de pander, de assistent van de schulte, die speciaal was belast met het uitbrengen van dagvaardingen en zonodig de inbeslagname (`panding') van goederen; de pander is op dit punt dan ook vergelijkbaar met de hedendaagse deurwaarder.

De diakonen van Norgh laten door dezen insinueren aan de diakonen van Peise, om Barelt Doedis, nu woonagtig te Westervelde, met zijne vrouw en kinderen, in cas van onverhoopte armoede, in dien staat en in dat getal zo alze zig dan zullen bevinden, weder in hun carspel en zo nodig aan hun armcasse aan te nemen ... Bovenstaande insinuatie is door mij schultes aan Steven Ebbinge als boekhoudende diaken van Peyze geinsinueerd. Bij wien copie is versogt. Peyze den 29 September 1791. J. Willinge, schultes.
(Archief Hervormde gemeente Norg, inv.nr. 19)

4. Remissie van het hoofdgeld is een vrijstelling (i.e. remissie) van de impost (i.e. belasting) op het gemaal. Deze belasting werd in Drenthe in 1600 ingevoerd; eenieder die granen liet malen moest daarvoor een belastingsom voldoen. In 1630 werd het mogelijk om deze impost op het gemaal af te kopen, en deze belasting in de vorm van een vaste afkoopsom noemen we `hoofdgeld'. Iedere Drentse ingezetene boven de leeftijd van één jaar (vanaf 1748 vanaf 12 jaar) moest dit hoofdgeld voldoen, en per kerspel zijn er dan ook zgn. hoofdgeldregisters die inzicht geven in 's mensen financiële situaties. Armen konden het hoofdgeld veelal echter niet voldoen en hadden dan de mogelijkheid om een rekest tot vrijstelling in te dienen bij de Landschapsoverheid. Een bewijs van vrijstelling van het hoofdgeld gaf tevens vrijstelling van het haardstedegeld (een soort onroerend-goedbelasting). Zodoende treft men in de haardstederegisters geregeld de aanduiding `heeft remis' aan. De genealoog op zoek naar financieel-economische informatie doet er dus verstandig aan, ook hoofdgeldregisters en haardstedegeldregisters te bestuderen. Niet zonder uitzondering werden rekesten tot vrijstelling van het hoofdgeld door de diaconieën ingediend namens armlastigen, waarvan in de diaconale correspondentie soms dus brieven kunnen worden aangetroffen.

In 1709 bepaalden Ridderschap en Eigenerfden, de Staten van Drenthe, specifiek dat vrijstelling van het hoofdgeld voor alumni der diaconieën zou eindigen wanneer de bedeling voor die personen was stopgezet, hetgeen in 1759 nog eens werd bevestigd. Voor de genealoog betekent dit dat het zoeken van armlastige voorouders in registers van hoofdgeld en van haardstedegeld teneinde een verbinding te kunnen maken met diaconale armenzorg na 1709 veelal weinig en na 1759 geheel niet zinvol zal zijn. In het begin van de negentiende eeuw werd landelijk een nieuw belastingstelsel ingevoerd, waarbij remissie van de impost op het gemaal en de turf niet meer mogelijk was voor individuele ingezetenen. Wel konden instellingen van armenzorg om vrijstelling vragen, maar gegevens over specifieke armlastigen treft de genealoog daarin niet aan.

Vertoonen Ued. Mog. seer reverentelijk Grietien Janssen en Grietien Barelts, hoe dat door siekten en andere lichaamsongemakken so seer in armoede sijn vervallen, dat door de diaconije moeten worden versorgt, gelijk Ued. Mog. uit de nevenskomende attestatie ... willen gelieven te ersien, sulks dat ook de supplianten niet in staat sijn het hooftgeld te konnen betalen, waaromme sij genootsaakt sijn geworden sig bij desen te adresseren aan Ued. Mog. met seer ootmoedig versoek.
Dit rekest, gericht aan Drost en Gedeputeerden van Drenthe, werd op 11 februari 1727 ingewilligd. (Archief Hervormde gemeente Norg, inv.nr. 14)

5. Registers van uitbestede armen zijn overzichten van armen die tegen een door de diaconie betaalde vergoeding onderdak kregen bij particulieren. Lang niet alle diaconieën hielden dergelijke registers apart bij; wanneer deze ontbreken verdient het aanbeveling de algemene diaconale financiële administratie door te nemen. De criteria die door diaconieën werden gehanteerd voor uitbesteding konden per kerspel verschillen, maar in het algemeen werden alleen armen uitbesteed die niet voor zichzelf konden zorgen, zoals bijvoorbeeld jonge kinderen, geestelijk of lichamelijk gehandicapten, en bejaarden.

Antekeninge der bestedinge van die armen door die diakenen in het jaar 1782 en door mij Boele Harms angetekent.
Den 27 Maai Aaltyn Jans besteet bij Jannes Harms tot Roon voor 22 gulden kostgelt. Neemt sijn anvank Maaj 1782 tot Maai 1783.
Op den 30 Junii 1782 Berent Meints besteet bij Abel Karst tot Norgh en hij sal verdienen 12 gulden 10 stuver geld en 10 stuver toe, een hantpenink, 2 hemden, 2 paar schoenen en soo veel want tot een buys en een broek. Neemt zijn anvank maai 1783 tot maai 1784.
(Archief hervormde gemeente Norg, inv.nr. 62)

6. Bedelingsregisters, zowel kerkelijk als burgerlijk, zijn voor de genealoog bijzonder nuttige overzichten: ze bevatten lijsten van personen die onderstand genoten, alsook omschrijvingen van het type en de hoogte van de genoten steun. Een uniforme bedelingsadministratie was er niet; de wijze van administratie kon van diaconie tot diaconie of gemeente verschillen, maar over de periode vanaf ruwweg 1800 zijn bedelingsregisters een gebruikelijk onderdeel van de financiële administraties van diaconieën, en vanaf ruwweg 1850 van gemeenten. Veelal bevatten bedelingsregisters voorin of achterin een alfabetische index op de namen van bedeelden; dit vergemakkelijkt het werk van de genealoog aanmerkelijk. Vóór ruwweg 1800 zal men bij het ontbreken van bedelingsregisters veelal zijn toevlucht moeten nemen tot de meer algemene registers van inkomsten en uitgaven van diaconieën.

7. Armen(werk)huizen zijn er in een beperkt aantal Drentse gemeenten geweest. Het waren gebouwen waarin armen die niet (meer) voor zichzelf konden zorgen werden gehuisvest, al dan niet permanent. Het fenomeen was afkomstig uit Engeland, waar het als een nuttig instrument ter opvoeding en disciplinering van de armen werd gezien. De opbrengsten van in het armenwerkhuis vervaardigde produkten verminderde tevens de financiële druk der bedeling. Armenhuizen c.q. armenwerkhuizen konden beheerd worden door een diaconie of door een burgerlijke gemeente. Het fenomeen deed vooral opgang vanaf het midden van de negentiende eeuw (zo werden er o.a. in Assen, Zweeloo, Borger en Odoorn armenhuizen opgericht), maar het bestond al langer. We weten bijvoorbeeld dat er in Hoogeveen en Meppel in het laatste kwart van de achttiende eeuw al armenhuizen waren. Als vuistregel voor de genealoog mag gelden dat armenhuizen van vóór ca. 1850 van diaconale signatuur waren en derhalve in de diaconale financiële administratie kunnen worden aangetroffen, en dat armenhuizen van na ca. 1850 enigerlei band met de burgerlijke gemeente hadden. Diaconale armenhuizen kunnen worden aangetroffen in een totnutoe niet genoemd hoofdonderdeel van de diaconale administratie, namelijk het beheer van bezittingen. Informatie over burgerlijke armenhuizen kan worden aangetroffen in de notulen of de brievenboeken van Burgemeester en Wethouders van een gemeente, en tevens kan een gemeentelijke administratie jaarverslagen inzake armenzorg bevatten. Duidelijk geïndiceerd in relatie tot armhuisbewoners zijn de diaconale en de burgerlijke administraties niet, en het verdient dan ook aanbeveling, armenhuizen niet als startpunt van een zoekstrategie te laten fungeren.

8. Register van lidmaten of kortweg lidmatenregister is het door een Hervomde gemeente bijgehouden overzicht van diegenen die officieel als lid van de betreffende hervormde gemeente waren geregistreerd. Dit kan voor de genealoog van belang zijn, aangezien toenemende financiële druk de diaconieën er vanaf de jaren '40 van de negentiende eeuw toe bracht de bedelingscriteria aan te scherpen; wie geen lidmaat was kon van kerkelijke bedeling worden uitgesloten.

9. Subsidies van de Staten van Drenthe. Regelmatig deden ingezetenen een beroep op het gewestelijk bestuur om de financiële nood te lenigen. De verzoekschriften waarop positief gereageerd werd, bevinden zich bij de rekeningen van hetzij de landschapssecretaris, hetzij de rentmeesters van Assen en Dikninge, die de opdracht tot uitbetaling van de subsidie kregen (OSA, inv.nrs. 1778-1780).

Kapitein Onno Lyphart was in dienst van het vaderland in Brazilië gesneuveld. Zijn weduwe, Claesken Langstraet, richtte zich in 1652 tot de Staten van Drenthe met het verzoek haar en haar vier kinderen, die nu geen vader meer hadden, tegemoet te komen met een jaarlijkse subsidie. Ridderschap en Eigenerfden streken de hand over hun hart en gaven eenmalig een bedrag van 100 gulden. (OSA inv.nr. 1779, rekening 1651/52, bijlagen)

Literatuur
Voor uitgebreide informatie over het hoofdgeld en andere vormen van belastingheffing in Drenthe, zie: P. Brood, Belastingheffing in Drenthe 1600-1822 (Meppel 1991). Over armenhuizen, zie: H. Klompmaker, `Opgenomen in het armenhuis', Ons Waardeel (1985) 33-41. Over armensubsidie schreef C. Meynen, `Drentse armen in de achttiende eeuw. Verzoeken om ``onderstand'' aan Drost en Gedeputeerden (1696-1791)', Ons Waardeel (1985) 16-25.

Sporen van een armlastig gezin uit de negentiende eeuw
Om een goed beeld te krijgen van de betekenis van deze bronnen verdiepen we ons in een negentiende-eeuws armlastig gezin.

Eise Pijl werd in 1800 te Smilde geboren als zoon van een arbeider annex binnenschipper, en stierf in 1855 in de strafgevangenis te Leeuwarden. Hij verbleef herhaaldelijk in gevangenissen en zou uiteindelijk een substantieel deel van zijn leven gedetineerd zijn. Zijn vrouw en kinderen, niet in staat om voor zichzelf te zorgen, waren dan ook meestentijds afhankelijk van de bedeling. Nadat Eise Pijl in september 1841 uit armoede een deel van de oogst van een aardappelboer had geroofd, daarvoor gearresteerd werd en vervolgens veroordeeld werd tot zeven jaar tuchthuis, richtte zijn vrouw Adriana zich met haar kinderen tot de diaconie te Leeuwarden voor bedeling. De Leeuwardense diaconie wenste vervolgens van de Assense diaconie de verleende onderstand vergoed te hebben. Waarom Assen en niet Smilde? Omdat een deel van het grondgebied van Smilde (toevallig dat deel waar het geboortehuis van Eise Pijl stond) na een gemeentelijke herindeling bij Assen was gekomen; Assen gold dus als domicilie van onderstand, en derhalve lag er bij de Assense diaconie een onderstandsplicht.

De Assense diaconie zat hier niet om te springen en traineerde de zaak door eerst nadere informatie te vragen over de geboorteplaats van Eise Pijl. Ze kreeg in reactie hierop vanuit Leeuwarden een afschrift van de huwelijksakte van Eise Pijl en Adriana de Bie, waarop Smilde als geboorteplaats stond vermeld. In een notedop laat dit ons zien hoe de genealoog een hoeveelheid nuttige informatie over armlastige voorouders kan traceren: na geboortegegevens uit de burgerlijke stand vinden we in het archief van de Hervormde Gemeente Assen correspondentie die inzicht geeft in de gezinssamenstelling en de hoeveelheid geld die voor onderstand van dit gezin gewenst is.

Adriana Pijl en haar kinderen verhuisden op 5 mei 1842 naar Assen, en ontvingen daar vanaf 9 mei 1842 bedeling. De verhuizing naar Assen blijkt uit de inschrijving in het Bevolkingsregister, en dat zij werden bedeeld blijkt uit opname in de Bedelingslijst. Onderdak kreeg het gezin-Pijl blijkens het diaconie-archief in het Assense armhuis aan de Groningerweg. Ruim was dit niet, want het gebouw was verdeeld in twaalf grotere en kleinere ruimtes, met soms een heel gezin in één kamer. Adriana Pijl baarde verschillende kinderen terwijl haar teerbeminde in het tuchthuis verbleef, hetgeen de diakenen weliswaar moreel zwaar fronsend naar haar levenswandel deed kijken, maar waar ze tegelijkertijd een mogelijkheid in ontwaarden Adriana kwijt te raken; als nu zou blijken dat ze niet eens lid was van een hervormde gemeente, zou haar plaats met goed recht aan een diaconale behoeftige kunnen worden gegeven. Het onderzoek leidde echter tot niets, want Adriana werd later toch als lidmaat van de Asser hervormde diaconie ingeschreven.

Inmiddels had een verdergaande verslechtering van de diaconale financiën tot een nóg strengere toepassing van de bedelingscriteria geleid, met als gevolg dat het gezin-Pijl naar het inmiddels ontstane burgerlijke armbestuur te Assen werd verwezen. Verschillende kinderen-Pijl hadden intussen voor allerlei kleine diefstallen voor de rechter gestaan, en na het bericht van het overlijden van Eise Pijl in de Leeuwarder strafgevangenis zagen de Asser autoriteiten Adriana en haar kinderen in 1855 graag vertrekken; nu gold immers Adriana's geboorteplaats (Fijnaart in Noord-Brabant) als plaats van onderstand.

Voor zover bekend is geen van de kinderen-Pijl in Assen door de diaconie bij een particulier uitbesteed geweest, een praktijk die wel voorkwam om bijvoorbeeld kinderen een vak te laten leren of om bejaarden een wat draaglijker oude dag buiten het armhuis te bezorgen. Gegevens inzake de huur van een lijkkleed door het gezin-Pijl te Assen zijn er niet.

Literatuur
De aan het leven van het gezin-Pijl ontleende voorbeelden en de daarbij gebruikte annotatieve verwijzingen zijn afkomstig uit: H. Gras, Het ellendige leven van Eise Pijl en de zijnen (Assen 1987). Het archief van de hervormde gemeente Assen ligt in het rijksarchief. Inventarisnummer 97: brieven van de diaconie en afschriften van de bemoeienissen van Burgemeester en Wethouders van Assen en Leeuwarden. In het Gemeentearchief van Assen bevinden zich de bedelingsregisters van het Burgerlijk Armbestuur 1846-1850.


DE MAATSCHAPPIJ VAN WELDADIGHEID
Een heel andere vorm van armenzorg vond vanaf 1818 plaats in de gemeenten Norg (Veenhuizen) en Vledder, in de zogeheten Maatschappij van Weldadigheid. Deze had tot taak uit het hele land afkomstige behoeftigen, armen en bedelaars (en later ook militaire veteranen) te socialiseren. Dit geschiedde bijvoorbeeld door hen kleine boerderijtjes te laten runnen, of hen te werk te stellen op grotere gezamenlijke boerderijen, in de hoop dat zij op deze wijze zelfredzamer en daardoor nuttiger burgers werden. De Maatschappij was een particulier initiatief van een aantal aanzienlijke Nederlanders dat met regeringssteun contribuanten (i.e. leden) wierf, wier gezamenlijke contributie het basiskapitaal van de onderneming vormde.

Deels kon het verblijf in de Maatschappij een door de rechter opgelegde straf zijn; landloperij en bedelarij golden als misdrijven, en wie daarvoor veroordeeld was kon verplicht in een gesticht van de Maatschappij worden ondergebracht. Doordat de Maatschappij een particulier initiatief was dat deels met de rijksoverheid verweven was geraakt en er armen uit het gehele land verbleven, was zij niet specifiek Drents, maar vanwege haar locatie worden de archieven van de Maatschappij bewaard in het Drentse rijksarchief. Mede doordat de archieven van de Maatschappij een eigen structuur en inventaris hebben vergt de Maatschappij een aparte behandeling, waarover verderop meer.

De oprichter, Generaal Johannes van den Bosch, was in 1818 zeer optimistisch. In een verslag van december 1818 lezen we over de ervaringen met de kolonisten: `Geene schaduw van gestrengheid is noodig geweest en de ervaring heeft bevestigd met daadzaken dat een matig geluk, door arbeidzaamheid verkreegen, onder een vaderlijk toevoorzigt en in de hoop op milde belooningen, onfeilbaar toereikt om menschen - voor de genoegens van een gezellig leeven vatbaar - tot hunne bestemming op te leiden en met genoegen hunne pligten doen vervullen'.
Het optimisme werd echter al snel getemperd door de realiteit: `Een voorname zwarigheid zoude gelegen zijn in de physieke en zedelijke ongeschiktheid der personen welke men tot deeze veldarbeid wilde gebruiken.'
(Aangehaald in C.A. Kloosterhuis, De bevolking van de vrije koloniën der Maatschappij van Weldadigheid  (Zutphen 1981) 154-155 resp. 59).

De Maatschappij van Weldadigheid werd gevestigd op het ca. 600 ha. grote landgoed Wes­terbeeksloot in de gemeente Vledder, en ingericht in `deel­gemeen­ten' in eigen beheer, kolonies genaamd. Deze kolonies omvatten land­bouw­grond, boerderij­tjes en woningen. Hoewel een zestal kolonies werd gesticht, waren er na administratieve samenvoeging drie kolonies waarin de genealoog kan zoeken: Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord. Daarnaast ontstond er een aantal gestichten waarin met name bedelaars, wezen en verlaten kinderen werden ondergebracht.

Literatuur
Voor de ontstaansgeschiedenis van de Maatschappij, zie: A.H. Huussen jr., "Veenhuizen'' in de eerste helft van de negentiende eeuw', Ons Waardeel (1987) 85-98. Belangrijk is ook het werk van C.A. Kloosterhuis, De bevolking van de vrije koloniën der Maatschappij van Weldadigheid (Zutphen 1981).

Bronnen
Zie ook DrenLias en de zoekwijzer.
Een verwijzing in het bevolkingsregister, een uittreksel uit de burgerlijke stand, een familieoverlevering kunnen aanleiding zijn om in de registers van de Maatschappij van Weldadigheid te gaan zoeken.
De archieven van de Maatschappij zijn van een zeer grote omvang (ruim 250 strekkende meter kastruimte). Zij bestaan uit registraties (en daarmee samenhangende gegevens) van de grote aantallen bewoners in verschillende categorieën, waarbij die registraties elkaar deels overlappen zonder dat op het eerste gezicht duidelijk is waarom. Het traceren van voorouders valt echter mee. Indien de genealoog een naam of hoedanigheid weet van een voorouder in de Maatschappij, kan deze voorouder in beginsel worden getraceerd via de normale registers van de burgerlijke stand (geboorte, trouwen, overlijden) van de gemeenten Norg en Vled­der. De bewoners van de Maatschappij waren tegelijk ingezetenen van één der gemeenten op het grondgebied waarvan de Maatschappij gevestigd was. Voor meer specifieke informatie, bijvoorbeeld de herkomst van de voorouder, diens eventuele gezinssamenstelling etc., dient men dan in de archieven van de Maatschappij zelf te zoeken.

Toegangen
De archieven zijn geïnventariseerd door J.R. van der Zeijden, J. Hagen en C.G.C. Meynen. In deze inventaris, getiteld De archieven van de Maatschappij van Weldadigheid (1818-1970) (Assen 1990) (toegangnummer 0186), bevindt zich een uitgebreide handleiding om de weg te vinden in de oude papieren en registers.
De bevolking van de Maatschappij werd verdeeld in hieronder opgesomde catego­rieën. Deze voor de zoekstrategie van de genealoog belangrijke categorieën vormen zoals gezegd de basis van de archieven van de Maat­schappij. Voor wie verregaand en heel specifiek in de archieven van de Maatschappij wil zoeken wordt de in de inventaris opgenomen handleiding aanbevolen. Onderstaande beschrijving van bewonerscatego­rieën is een samenvatting daarvan.

1. Vrije of gewone kolonisten: bewoners van een `hoeve'.
Van de vrije of gewone kolonisten bestaan achttien delen bevolkingsregister (inv.nrs. 1346-1363), met drie alfabetische klappers (inv.nrs. 1364-1366); in deze klappers staan alleen de `hoofden van huisgezinnen' vermeld. De klappers geven in grote lijnen de stand van de bevolking aan tot circa 1855. Overigens dient te worden opgemerkt dat de laatst aangekomenen (uit de jaren 1855-1859) meestal niet in een klapper voorkomen, maar veelal wel in de bevolkingsregisters kunnen worden gevonden (de laatste twee regis­ters van elke kolonie). Het verdient aanbeveling om dan die registers door te nemen op datum van aankomst en op naam. In de bevolkingsregisters staan de hoevenum­mers in de eerste kolom. Verhuizingen binnen de Maatschappij zijn herkenbaar aan hoevenummers die doorgehaald zijn, waarna het nieuwe hoevenummer erbij is gezet. Verhuizingen, desertie, ontslag en veranderingen van of binnen een gezin staan meestal in de kolom `aanmerkingen'. Zijn er geen verhuizingen, aanmerkingen of andere gewenste bijzonderheden te vinden, zie dan de registers over de eropvol­gende jaren. Vanzelfsprekend zijn er nog andere categorieën specifieke gegevens die in het bovenstaande niet zijn genoemd, zoals met name de wijze van registratie van de aankomst, overlijden en vertrek van Maatschappij-bewoners: voor de genealoog zijn hierbij de inventarisnummers 1344 en 1370 van belang.

In woning 34 van kolonie 1 kwam in 1820 het gezin Brouwer te wonen. Het bevolkingsregister vermeldt dat het gezin afkomstig was uit Wieringerwaard. Het bestond uit Pieter Brouwer (1780), Maartje Kooij (1786) en twee kinderen, Maartje (1814) en Aaltje (1816). Tijdens het verblijf in de kolonie werden geboren Pietertje (1820), Antje (1823), Pieter (1826) en Trijntje (1829). Bij de opmerkingen in het register staat vermeld dat Maartje op 28 december 1837 gehuwd was en ontslagen uit de kolonie. Aaltje was op 22 mei 1837 gaan `dienen', maar al op 4 augustus teruggekeerd. Op 30 oktober 1839 werd zij uit de kolonie ontslagen. (Archief Maatschappij van Weldadigheid inv.nr. 1349).

2. Wezen en verlaten kinderen
Wezen en verlaten kinderen, veelal samengevat onder de benaming wezen, waren ondergebracht in de gestichten Veenhuizen I en II. Tot deze categorie behoren niet de wettelijke (i.e. `echte') kinderen van vrije of gewone kolonisten, bedelende en/of landlopende kinderen (want die werden tot de bedelaars gerekend), kinderen van bedelaars (want die werden als losse personen in de bedelaarsregisters opgenomen), kinderen met `ing' achter hun naam, kinderen met een Bis-nummer en bestedelingen. Van de wezen bestaan vier delen bevolkingsregister (inv.nrs. 1410-1413), met zes delen alfabetische klappers (inv.nrs. 1414-1419). De laatst ingeschreven (1854-1859) staan niet in de klappers. Zij zijn te vinden in bevolkingsregister 1412 vanaf (hoofd)nummer 806. Het werk van de genealoog die kinderen zoekt kan enigszins worden vergemakkelijkt doordat de vroegst ingeschrevenen (1820-1829) tevens aangetroffen kunnen worden in inv.nr. 1571, 2e stuk, nrs. 811-1100 en 4e stuk, nrs. 1-810, en in inv.nr. 1572, 1e stuk, nrs. 1101-2020. In de laatste kolom van de bevol­kingsregisters staat het zogenaamde stamnummer (ook wel stamlijst­nummer of designatienummer). Vanzelfsprekend zijn er nog andere categorieën specifieke gegevens die in het bovenstaande niet zijn genoemd, zoals met name de wijze van registratie van de aankomst, overlijden en vertrek van Maatschappij-bewoners: voor de genealoog zijn hierbij de inv.nrs. 1420-1429, 1432-1436, en 1554 van belang.

Op 31 oktober 1825 kwam een groep van tien kinderen uit Hoorn aan in de kolonies. Deze kinderen waren Elisabeth Dijkop (11 jaar), Cornelis en Jacob Mourits (10 en 8 jaar), Hillebrand en Geertruid Mes (14 en 11 jaar), Anna Maria Wilhelmina en Sijmen Maartensz Ruiter (16 en 13), Aafje, Aaltje en Krelisje Zom (resp. 14, 11 en 6 jaar). (Archief Maatschappij van Weldadigheid, inv.nr. 1410).

3. Bedelaars
Vrijwel alle bedelaars zaten in de gestichten Ommerschans en Veenhuizen II. Van deze categorie bestaan elf delen bevolkingsregis­ter over de periode 1822-1840 (inv.nrs. 1444-1454), met daarbij tien delen alfabetische klappers (inv.nrs. 1455-1464). Bedelaars hadden een hoofdnummer (ongeacht hun verblijfplaats in de Maatschappij) dat ze `meenamen' in alle andere documenten. Bij hernieuwd verblijf in de Maatschappij werd een nieuw hoofdnummer toegekend. De traceerbaarheid van bedelaars die herhaaldelijk in de Maatschappij verblijf hielden wordt vergemakkelijkt door van het bevolkingsregister inv.nr. 1465, alsook de (incomplete) alfabetische klapper daarop (inv.nr. 1466) door te nemen. Voor de genealoog is voorts van belang dat bedelaars­gezinnen niet alleen de facto maar ook administratief uit elkaar gehaald werden, met als gevolg dat man, vrouw en kinderen allemaal een eigen hoofdnummer hadden. Voor het bijeen zoeken van gezinnen is het zinvol om, wanneer bijvoorbeeld één naam gevonden is in het bevolkingsregister, in de omringende pagina's verder te kijken. Gezinsleden werden vaak dicht bij elkaar ingeschreven. Bovendien staat onder de naam van een kind meestal wel vermeld welk nummer de vader of moeder was, en dat geldt ook voor verwijzingen naar echtelieden. De stamnummers van bedelaars treft men steeds aan in de laatste kolom van het bevolkingsregister. De nummers die hier hoofdnummers worden genoemd heten in de inventaris van het archief van de Rijkswerkinrich­tingen Veenhuizen en Ommerschans stamnummers! Vanzelfsprekend zijn er nog andere categorieën specifieke gegevens die in het bovenstaande niet zijn genoemd, zoals met name de wijze van registratie van de aankomst, overlijden en vertrek van Maatschappij-bewoners: voor de genealoog zijn hierbij de inv.nrs. 1469-1505, en 1554 van belang.

4. Arbeidershuisgezinnen
Hiervoor bestaan bevolkingsregisters over uiteenlopende perioden van de verschillende kolonies, in totaal acht registers. Het betreft de inv.nrs. 1571-1575 en 1584-1585. Op deze registers bestaan geen klappers, maar deze registers hebben voorin of achterin wel alfabetische namenlijsten, uitgezonderd inv.nr. 1584.

Een van de arbeidershuisgezinnen in kolonie Veenhuizen 1 was dat van Tjerk Luitjens. Tjerk (1785) was gehuwd met Willemke Davids Wijngaarden (1784) en zij hadden drie kinderen: Luitje (1817), David (1818) en Jitske (1822). De Gouverneur van de provincie Groningen had hen op 19 februari 1824 opgezonden naar Veenhuizen. Kennelijk beviel het de familie Luitjens daar niet, want op 21 mei 1825 deserteerde zij uit de kolonie, aldus de aantekening in het bevolkingsregister. Binnen een maand waren zij evenwel weer terug, waarna zij naar de strafkolonie werden gezonden. (Archief Maatschappij van Weldadigheid, inv.nr. 1571, nr. 56).

5. Hoevenaars
Van deze bewoners van hoeven (een fraai woord voor kleine boerderijen) bestaan bevolkingsregisters van Veenhuizen I, II en III: inv.nrs. 1581-1583. Deze lopen niet parallel met de volgorde der gestichten. Ook zijn er bevolkingsregisters van Ommerschans: inv.nr. 1584 (2e stuk), en 1582-1583. Tevens dient men voor de Ommerschans inv.nr. 1579 door te nemen. Alfabetische klappers op deze registers zijn er niet. Overigens konden hoevenaars (heel incidenteel) ook als vrijboeren (zie hieronder) worden aangeduid.

6. Vrijboeren
Achter in het register van inv.nr. 998 en op kladjes achterin inv.nr. 1007 wordt vermeld dat sommige boeren `vrijboer' zijn geworden. Gewone inwoners van Frederiksoord wier hoeve op het terrein van de Maatschappij stond werden waarschijnlijk automatisch vrijboeren in de Maatschappij `bij hoeve-overneming'.

7. Veteranen
Hiervan bestaan over de jaren 1826-1854 drie delen bevolkingsregister (inv.nrs. 1588-1590), met daarin opgenomen een alfabetische namenlijst. Veteranen werden geregistreerd met een eigen hoofdnummer. Vanzelfsprekend zijn er nog andere categorieën specifieke gegevens die in het bovenstaande niet zijn genoemd, zoals met name de wijze van registratie van de aankomst, overlijden en vertrek van Maatschappij-bewoners. Voor de genealoog is hierbij inv.nr. 1011 van belang.

8. Strafkolonisten te Ommerschans
Hiervan bestaan bevolkingsregisters in drie delen (inv.nrs. 1584-1586) over de jaren 1832-1859, overwegend betreffende strafkolonistenhuisgezinnen, maar ook betreffende personen alleen. Strafkolonistenhuisgezinnen hebben in de strafkolonie een nieuw hoevenummer, waarbij onder `aanmerkingen' hun herkomst binnen de Maatschappij is vermeld, terwijl `personen alleen' een nieuw hoofdnummer kregen.

9. Kinderen die in de Maatschappij zijn geboren
Kinderen van gewone kolonisten, hoevenaars, arbeiders, veteranen en ambtenaren worden niet vermeld. De genealoog kan hier het beste zoeken op naam van de vader (of moeder indien weduwe) in de gewone bevolkingsregisters en/of klappers van voornoemde categorieën. Veelal worden ze dan met hun geboortedata aangetroffen onder het hoevenummer van hun ouders. Ter completering kan de genealoog in de mutatieregisters (inv.nrs. 1371-1386) wijzigingen in de samenstelling van een gezin traceren.

Kinderen van bedelaars kregen normaliter na verloop van tijd een eigen nummer in de bedelaarsregisters, en kunnen zowel in de registers van de burgerlijke stand alsook in de klappers en bevolkingsregisters van bedelaars op naam worden getraceerd. Indien een kind abusievelijk niet of niet correct werd ingeschreven verdient het aanbeveling te zoeken in de invalidenregisters. Loop daarin het halfjaar waarin de geboorte plaatsvond door op naam en/of geboortedatum. Veelal staat de moeder er vlakbij ingeschreven, of wordt bij het kind het nummer van de ouder(s) vermeld. Voor aansluiting op de bevolkingsregisters van na 1840 dient men de inv.nrs. 286-288 van de Rijks­werk­inrich­tingen Veenhuizen en Ommerschans door te nemen.

10. Personen met een extra ofwel B-nummer
Dit betreft mensen die waren `aangenomen op bijzondere contracten' in de jaren 1829-1859. Zij staan allen, met een hoofdnummer, vermeld in één bevolkingsregister (inv.nr. 1390). Hun hoofdnummer namen zij mee in alle registraties, waar het naast hun aldaar geldende nummer werd geregistreerd. Vanzelfsprekend zijn er nog andere categorieën specifieke gegevens die in het bovenstaande niet zijn genoemd, zoals met name de wijze van registratie van de aankomst, overlijden en vertrek van Maatschappij-bewoners. Voor de genealoog zijn hierbij de inv.nrs. 1389 en 1391 van belang. Nummer 1389 (10e kolom, nummers vóór de schuine streep) correspondeert met 1391.

11. Personen met een bis-nummer
Dit betreft `behoeftige huisgezinnen en eenlopende personen' (niet te verwarren met bedelaars!), voorkomend in de periode 1836-1859 en allen samengevoegd in één bevolkingsregister (inv.nr. 1399). Bij dit register is geen klapper, wel staat voor in het register een alfabetische namenlijst. Het register vermeldt waar de personen binnen de Maatschappij zijn ondergebracht. Vanzelfsprekend zijn er nog andere categorieën specifieke gegevens die in het bovenstaande niet zijn genoemd, zoals met name de wijze van registratie van de aankomst, overlijden en vertrek van Maatschappij-bewoners. Voor de genealoog zijn hierbij de inv.nrs. 1392, 1397 en 1399 van belang.

12. Ingedeelde personen en/of bestedelingen
Ingedeelden `hoorden' bij een gezin. Bijvoorbeeld konden kinderen door een armhuisbestuur bij twee volwassenen worden ingedeeld teneinde een `gezin' te vormen, waarna men werd `opgezonden'.
Bestedelingen werden door particulieren of instanties tegen een bepaalde vergoeding in de Maatschappij geplaatst. De meesten kwamen in groepen op contracten met gemeente- of armbesturen naar de Maatschappij. Sommige van deze personen hadden een B-nummer of een bis-nummer. Als de genealoog ze vooralsnog niet in de bevolkingsregisters of elders vinden kan, doet hij er verstandig aan de relevante mutatieregisters over de periode 1833-1859 (inv.nrs. 1382-1397) door te nemen.

13. Invaliden en kwekelingen
Invaliden kwamen in de gehele Maatschappij voor, zij het niet als aparte categorie. Van gewone kolonisten werd invaliditeit niet vermeld, maar wel werden registers bijgehouden van diegenen van wie de kosten door het rijk werden vergoed, en die niet of gedeeltelijk in hun eigen onderhoud konden voorzien (baby's, kinderen tot twaalf jaar, zogende moeders, tijdelijk zieken, chronisch zieken, en bejaarden). De invalidenregisters (inv.nrs. 1560-1563 en 1565-1570) over de periode 1827-1859 werden halfjaarlijks opgemaakt, waarbij invaliden werden geregistreerd onder hetzelfde hoofdnummer dat zij elders binnen de Maatschappij hadden. Er bestaan bij deze registers geen klappers of alfabetische namenlijsten. Vanzelfsprekend zijn er nog andere categorieën specifieke gegevens die in het bovenstaande niet zijn genoemd, zoals met name de wijze van registratie van de aankomst, overlijden en vertrek van Maatschappij-bewoners: voor de genealoog zijn hierbij de inv.nrs. 1398-1399 en 1541-1542 van belang.

Kwekelingen:
vrijwel alle jongeren die vanuit Veenhuizen I, II, III of vanuit de gewone koloniën naar het opvoedingsgesticht in Wateren kwamen, zijn opgenomen in twee bevolkingsregisters (de achterste gedeelten van inv.nrs. 1582-1584). In Wateren kregen ze gedurende hun verblijf aldaar een nieuw hoofdnummer, terwijl overigens achter hun naam ook hun originele nummer bleef bestaan. Van de kwekelingen bestaan ook stamboeken over de jaren 1828-1831 en 1841-1859 (inv.nrs. 1610-1611). Vanzelfsprekend zijn er nog andere categorieën specifieke gegevens die in het bovenstaande niet zijn genoemd, zoals met name de wijze van registratie van de aankomst, overlijden en vertrek van Maatschappij-bewoners. Voor de genealoog zijn hierbij de inv.nrs. 1432-1436 van belang.

14. Mutatieregisters werden in het voorgaande al enkele malen genoemd. Zij vormen voor de genealoog een belangrijk hulpmiddel om verband te kunnen leggen tussen verschillende registraties die bewoners van de Maatschappij in verschillende hoedanigheden konden hebben. De mutatieregisters bevatten alle veranderingen in de gehele kolonie- en gestichtsbevolking per maand (bijeengelegd per jaar). NB: de omslagen van de betreffende mapjes zijn steeds één maand later gedateerd dan hun inhoud! Zoek eerst per jaar, dan per maand, en vervolgens onder naam en/of hoevenummer. Het betreft de inv.nrs. 1371-1386 (allen, inclusief bedelaars) en 1506-1537 (alleen bedelaars in alle leeftijdscategorieën, over de periode 1823-1859).